STER Advertentie

In Amerika is een discussie losgebarsten over racisme in de klassieke muziek. Zo stond er vorige week in The New York Times een uitgebreid artikel van muziekjournalist Anthony Tommasini met de strekking dat orkesten moeten stoppen met blind auditeren. Bij orkestaudities moeten sollicitanten achter een scherm spelen, om de invloed van mogelijke vooroordelen uit te bannen. Deze manier van auditeren is in 1969 is ontstaan nadat zwarte musici hadden geklaagd over discriminatie bij de New York Philharmonic.

Blind auditeren zou nu juist moeten worden afgeschaft, vindt de schrijver, want het beleid is niet langer houdbaar. Zwarte musici maken maar 1,8% uit van de Amerikaanse topensembles. Zo zit er bijvoorbeeld nog altijd slechts één zwarte musicus in de New York Philharmonic: eerste klarinettist Anthony McGill. De conclusie is dat blind auditeren niet werkt om meer diversiteit te genereren.

Als de toporkesten meer een afspiegeling willen zijn van de maatschappij, moeten ze nieuw beleid kunnen ontwikkelen en dat kan niet als men blind kiest. De redenering van Tommasini is deze: het spelniveau is tegenwoordig bij alle sollicitanten zo hoog dat het kwalitatieve verschil te verwaarlozen is. De orkesten kunnen kiezen uit een zee van aspiranten die allemaal aan de hoogste eisen voldoen. Nu dat zo is zou men juist naar andere eigenschappen van de musici moeten kijken. Positieve discriminatie dus.

Op de veronderstelling dat velen van de auditerende musici aan de hoogste eisen voldoen is inmiddels kritiek gekomen van altviolist Max Raimi van de Chicago Symphony Orchestra. Volgens hem lukt het zijn orkest bij het merendeel van de auditierondes niet om een geschikte kandidaat te vinden. Dat de journalist van de New York Times alleen naar speltechniek kijkt, vindt hij beledigend. Je moet als musicus een beeld van een compositie hebben en verhaal kunnen vertellen met klankkleur, fraseringen en dynamiek.