STER Advertentie

Even voorstellen
Gregor Verwijmeren studeerde in Utrecht Taal- en Cultuurstudies en aan het conservatorium, en publiceerde verhalen in onder andere De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. Najaar 2018 debuteerde hij bij uitgeverij Van Oorschot met De vorm van geluid, een roman over tinnitus, geluiden en muziek, waarin volgens de Groene Amsterdammer de schrijver ‘op magistrale wijze’ muziek weet om te zetten in taal, en die volgens een andere recensent ‘de zintuigen scherpt.’ Op basis van dit debuut ontving Gregor een beurs van het Letterenfonds om aan zijn tweede roman te werken. Dat doet hij vooral in zijn schrijfhok in een boerderij in de buurt van Fort Vechten, waar hij het jaar 1990 opnieuw creëert door helemaal offline te zijn.

Gregor werkt enkele dagen per week in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, en woont met zijn vijfkoppig gezin op een half uur fietsen van Utrecht in Odijk. In zijn vrije tijd kookt en tennist hij graag. 

Vanwege de maatregelen omtrent COVID-19 werkt Gregor deze week vanuit zijn eigen atelier in plaats van in het Opium atelier.

Atelierplan
Met de opdracht een atelierplan voor te leggen moet ik iets doen wat ik het liefst zou vermijden: iets vertellen over de roman die ik aan het schrijven ben. Een roman in wording is als een couveusekindje: kwetsbaar, nog volop in ontwikkeling. De inhoud ervan delen is precies het tegenovergestelde van wat je wilt: het bij je houden, dicht tegen de huid gedrukt. Misschien is het anders voor beeldend kunstenaars, die doorgaans korter met een project bezig zijn, ik vermoed het. Kijk daarom niet gek op als ik het deze week meer heb over het schrijfproces, de rituelen en de omgeving waarin het plaatsvindt, dan over thema’s, plot en personages. Maar goed, het moet even, maar daarom niet open en bloot op tafel gelegd, maar even snel een teentje laten zien. Dit wil ik kwijt: mijn roman speelt zich deels af in de Alpen. Oké, ook dit nog: een van de hoofdpersonen is botanicus en vertrekt met zijn gezin naar de Alpen om er voor een vermogend echtpaar te werken.

Deze week houd ik me bezig met Alpengerelateerde vragen als: hoe vliegen ze ernaartoe? Hoe zien de kassen, de woning van de werkgever en het eigen verblijf eruit? Hoe zit het met zaken als zuidelijk versus noordelijk gelegen hellingen? Dus buig ik me over atlassen en literatuur, webpagina’s en filmpjes. Je kunt pas schrijven over personages als je een soort mentale plattegrond van hun omgeving in je hoofd hebt, waarin je als het ware zelf kunt ronddwalen. Voor een deel heeft dat ronddwalen met vocabulaire te maken, want dat is je gereedschap. Wat is het verschil tussen een bergwand, een berghelling en een bergkam? Wat zijn karen? Consistentie is van het grootste belang, dus is het een hoop ‘alt-tabben’: heen en weer springen tussen oudere en nieuwere fragmenten, vergelijken en aanpassen, hecht maken. Je wilt niet dat ze in je wereld een route van A naar B lopen die verderop helemaal niet blijkt te kunnen bestaan.

Met het oog op authenticiteit doet het het trouwens ook altijd goed er een specialistisch, in dit geval Duits woord tussen te proppen.

Inneralpinen Trockenzonen.
Tot zover. Nicht mehr.

Dag 1 - Maandag 18 mei


Dag 1, laten we het een transitiedag noemen: de overgang van een plek waar ik altijd helemaal afgezonderd en alleen ben (mijn schrijfhok in de boerderij), naar een plek waar voor het eerst iemand over mijn schouder meekijkt, te weten dit programma. Fietste door zonovergoten weilanden langs fort Vechten, installeerde me met mijn bronnen en besteedde vervolgens veel te veel tijd aan mijn eerste geluidsopname, bedoeld voor de collage van de uitzending van woensdag. Een opname van het met de hand malen van koffie, die ik wilde aangrijpen om te mijmeren over koffiegebruik van beroemde schrijvers, in het bijzonder dat van Honoré de Balzac, die 50 kopjes per dag dronk en in een essay schreef over de ‘epische effecten’ ervan: ‘Alles wordt geagiteerd. Ideeën marcheren als bataljons van een reusachtig leger naar de slagvelden. De cavalerie van de metafoor schiet ervandoor in een machtige galop.’ Etc., etc. Balzacs extatische koffieduiding had ik willen verbinden aan zijn opvattingen over literatuur. ’t Gevolg: een verschrikking. Opname werd veel te lang en te ondoorzichtig, ik brak haar na herhaalde pogingen af, en maakte in een take een opname van mijn gebruik van de Dikke van Dale, met korte mijmeringen over de woorden ‘buikschuiver’ en ‘buitenissig’ (met één n).

Dag 2 - Dinsdag 19 mei

Iets over offline zijn en iets over buiten zijn
Op de boerderij ben ik helemaal offline. Ik heb niet alleen geen internet maar ook geen bundel op mijn smartphone, en dat maakt het vrijblijvend surfen zo duur dat de lol er snel vanaf gaat. Soms is het noodzakelijk data of mails binnen te halen – als het om uitgeverszaken gaat bijvoorbeeld – en dat moet dan door mobiele data, roaming aan te zetten. Zo komt het voor dat er maanden zijn waarin de kosten die van een gemiddelde bundel overtreffen en ik dus eigenlijk betaal om offline te zijn. Maar ik vertik het om het anders te doen. De lege, me aanstarende uren, die langzaam worden gevuld met woorden, scenes en personages en me op goede dagen uiteindelijk de tijd doen vergeten, zijn me te dierbaar. Corona? Het komt voor dat ik het fenomeen hier een hele middag vergeet. Dat ik het even niet weet en daarom in een reflex naar mijn smartphone grijp, gebeurt al vaak genoeg thuis. Lege uren, een zeldzaam iets; het stemt me soms droevig dat mijn kinderen niet weten wat het is.

Behalve die afzondering heb ik nog iets nodig om te kunnen schrijven: buitenlucht. In de twintig, vijfentwintig minuten (afhankelijk van de windrichting) dat ik naar mijn hok fiets beginnen de ideeën al te komen. Ik spreek ze in om ze na aankomst uit te werken. De zeldzame keren dat ik met de auto ga, stop ik bij het Nieuw-Wulvenbos om er een stuk te wandelen of te rennen. Was het Kant die beweerde dat hij iedere gedachte die niet in de buitenlucht is opgedaan wantrouwde? Het gebeurt regelmatig dat ik hier na een schrijfsessie van zes uur de deur achter me sluit met een literair probleem in mijn hoofd dat zich na een paar honderd meter fietsen vanzelf oplost. Evenzeer als wijzelf heeft het schrijfproces zuurstof nodig.

Dag 3 - Woensdag 20 mei

Vandaag gaat mijn atelier even in de pauzestand en doe ik mijn broodwerk voor de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium. Ik heb dit jaar mijn contract aan laten passen van 24 naar 16 uur om aan mijn tweede roman te werken (met dank aan het Letterenfonds en het KC zelf, dat mij altijd in mijn schrijven heeft gesteund en meermaals het podium heeft geboden). Wat doe ik er, en nu dus thuis? Ik doe catalogiseerwerk, preciezer, ik maak titelbeschrijvingen van bladmuziek en literatuur. Voorbeeld: op mijn bureau ligt nu een stapel liedbundels van Schumann en Schubert. Daarin staan tientallen liederen, die stuk voor stuk een titelbeschrijving krijgen, zodat ieder lied apart gezocht en gevonden kan worden in de catalogus. We voegen ook incipits toe, zodat een zangeres op zoek naar een lied waarvan zij de titel niet kent maar wel de beginwoorden - ‘Du lieblicher Stern, du leuchtest so fern‘ - het ook vindt (zangers zijn de grootste gebruikers van onze bibliotheek). Opvallende parallellie: ik kom nogal wat liederen tegen die de bergen als achtergrond hebben (de Duitse romantiek en de bergen zijn aan elkaar verbonden als de Amerikaanse suburbs en de romans van John Updike).

Mijn werk kan geestdodend zijn, maar vaker is het tegenovergestelde het geval: ik kan denken aan mijn personages, ideeën inspreken of noteren. Ik hoef zelden stukken te lezen of vergaderingen voor te bereiden in de trein, ik laat het werk ’s avonds achter me (schrijven en gezin leggen voldoende druk op me, geloof me). Ik bewonder schrijvers die het naast een zware baan voor elkaar weten te krijgen goede romans te schrijven, ik benijd ze niet.

Dag 4 - Donderdag 21 mei

Een prachtige zomerse dag vandaag op de boerderij. Twee weken geleden vroor het nog ’s nachts en kwam ik in een ijskoud hok aan, nu was het er aangenaam en kon ik verwarming en elektrische voetenzak (schrijven met koude voeten, vergeet het maar) in de zomerpositie onder het schuine dak schuiven. Het was de eerste keer dat ik ’s ochtends met korte broek door de weilanden fietste. Eindelijk eens niet vergeten twee euro mee te nemen om bij Nieuw Slagmaat een fles ambachtelijk appelsap te kopen.
Alles ademt hier de zomer.
Rond het middaguur ging ik naar buiten om op het gazon in de schaduw van een van de schuren te schrijven. Gestaard naar de cirkelende buizerds boven mij en gedacht aan de steenarend die in mijn roman een rol speelt, maar vooral weer het volgende gemerkt: dat ik niet kan schrijven in de buitenlucht. Was het alles wat leeft en beweegt, de paarden die me aanstaarden en toeknikten, de insecten kruipend langs de schuurwand, de vogels die nu eens luider klonken dan de A12 omdat de wind was gedraaid? Ik denk dat het iets anders is, dat het te maken heeft met de aard van de ruimte die je omringt. Die is buiten grenzeloos, terwijl schrijven een ambacht van beperking is. Je focust je op één onderwerp (een situatie, een gedachtegang, een dialoog), gebruikt daarbij één instrument dat je zo scherp mogelijk wilt krijgen, de taal. Dat lijkt buiten allemaal te vervliegen, weg te schieten in het azuur, terwijl de beperkte binnenruimte het als een harnas lijkt te versterken. Dit is maar een aanzet tot een theorie. En er zijn waarschijnlijk schrijvers die hun beste werk buiten doen.
Ging daarom weer naar binnen om me over koudere regionen te buigen en maakte een schets van de omgeving waar mijn personage gaat werken (iets wat ik niet eerder voor mijn schrijven deed). Vernietigde deze omdat hij in mijn hoofd zat.

Dag 5 - Vrijdag 22 mei

Mijn laatste dag als gast bij Opium Atelier en ’t was een gemengd dagje. Geschaafd aan de tekst die ik ’s avonds zou voorlezen, mijn volleys geoefend tegen de muur (te veel wind voor groundstrokes), en wat bijgepraat met Marja en Henk, het echtpaar bij wie ik dit hok huur (beiden zijn kunstenaars: Marja beeldhouwster, Henk, boer in ruste, een ware tuinartiest; ik geloof niet dat ik me betere verhuurders kan wensen). Na de omslag van het weer en de regenbui die volgde met een stevige westenwind in de rug naar huis gefietst. Die heeft vrij spel in dit nog steeds malse, vlakke landschap.

De week is snel gegaan. Hoe heb ik haar ervaren? Op dag 1 schreef ik dat ik een week inging waarin Opium Atelier over mijn schouder zou meekijken. Het werd ietsje meer dan dat. Mijn hok is een burcht van stille afzondering. Nu, met de opdracht een dagelijks blogje te schrijven, geluidsopnames te maken met mijmeringen, de wetenschap van live-interviews in de late avond en het waar-blijf-je-loodgieter-gevoel van telefoontjes van productie en techniek ergens op de dag, had ik het gevoel dat er een carnavalsoptocht doorheen marcheerde, net als door mijn hoofd. Gevolg: mijn corebusiness – harde schrijfmeters maken – werd volledig in de marge gedrukt. De woorden komen bij mij pas na een, twee uur los, nu fietste daar het ‘even een blogje schrijven’ doorheen, blogje dat als het vlot kwam toch nog voortdurend door het hoofd bleef spoken en om aandacht roepen. (Thomas Mann beweerde dat een schrijver het schrijven zwaarder valt dan ‘allen anderen Leuten’ en het zijn waren woorden: de schrijver is ‘a sucker’ voor teksten.) Ik verlang alweer naar volgende week, waarin de voorbijdrijvende wolken achter het veluxraam boven mij de enige afleiding zullen zijn.

Heeft deze week me dan niets opgeleverd, behalve een ervaring rijker te zijn? Jazeker. Zo’n week schudt de boel op, puncteert, bovendien leert de ervaring dat op zo’n pauzestand vaak een creatieve zwieper volgt. Maar bovenal is het goed om alvast te reiken naar de wereld waar je uiteindelijk naar toe wil (al is het maar met een teentje). Ik voorzie dat deze week een van die dingen is waar je je doorheen vecht, maar later met lichte weemoed op terugkijkt. Ik dank alle medewerkers van Opium die me deze gelegenheid hebben geboden.

Eén ding blijft nog hangen. Dat is de vraag hoe ik de week had ervaren als ik haar met dit draaiboek 24/5 op het omroepterrein had beleefd. Maar ik geloof niet dat de afgelopen week mijn kansen daarop heeft vergroot.