Even voorstellen

Dorien Dijkhuis is dichter en schrijver. Ze schrijft poëzie, korte verhalen en reisverhalen. Daarnaast is ze freelance journalist. In haar gedichten onderzoekt ze hoe we ons tot onszelf, elkaar en de wereld verhouden. Al schrijvend probeert ze afstanden te overbruggen. Haar gedichten en reisverhalen werden eerder o.a. gepubliceerd in Het Liegend Konijn, Tirade, op de website van tijdschrift Terras en in Extaze. Half november verschijnt haar poëziedebuut ‘Waren we dieren’ bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam.

Atelierplan
Als journalist ben ik altijd bezig met de werkelijkheid. Dat wringt met mijn werk als dichter en schrijver. Literatuur is niet gebaat bij de werkelijkheid. Voor verhalen en poëzie moet je een beetje losgezongen zijn van wat is en kan. Maar ik vind het na een dag werken vaak lastig óm te schakelen naar de wereld van de verbeelding.

Er is nóg iets met mijn werk aan de hand: je moet je aan kantoortijden houden, want er wachten mensen op je. In mijn geval zijn dat mensen met wie ik interviewafspraken heb en opdrachtgevers die vóór vijf uur een ‘af’ artikel in hun mailbox willen hebben. Ik kan soms met jaloezie kijken naar schrijvers die tot diep in de nacht zitten te schrijven. ’s Nachts is het stil. ’s Nachts zeuren er geen opdrachtgevers aan je hoofd en hijgen er geen deadlines in je nek.

Wat ik deze week wil proberen, is om de tijd los te laten. En te kijken wat dat oplevert. Om ’s nachts te schrijven wanneer de wereld slaapt. ’s Nachts is de verbeelding dichterbij. De nacht is de tijd van de muzen, de tijd dat de wereld langzamer lijkt te draaien en de geest openstaat voor meer onalledaagse dingen. ’s Nachts ben je vrijer.

Dag 1 - Maandag 9 septemberIk ben er. Ik zit op de veranda van het atelier en kijk uit over de vijver. Aan de overkant van het water glimmen autodaken in de zon. Ik heb het bed opgemaakt en mijn boeken uitgestald op tafel. Dat neerzetten van boeken op een plek waar ik langere tijd verblijf, of dat nu een hotelkamer is of een hutje op de hei, geeft altijd een vreemd soort genoegen. Het is een ritueel. Erna is de plek al meer van mij dan voor die tijd.

Ik ben benieuwd hoe het hier straks zal zijn als het donker is. Als de parkeerplaats aan de overkant langzaam leegloopt, de radiomensen naar huis zijn om te slapen en ik hier nog de enige ben op het Mediapark. Hoe zal de nacht er uitzien? Hoe zal het voelen om hier alleen te zijn? Zal de nacht echt inspiratie brengen zoals ik hoop?

Een van de boeken die ik op tafel heb neergezet is ‘Een leven in brieven’ van Vincent van Gogh. Aan zijn broer Theo schrijft hij: ‘Ik denk vaak dat de sprankelende kleuren van de nacht levendiger en kleurrijker zijn dan die van de dag.’ Je hoeft maar naar zijn schilderij ‘De Sterrennacht’ te kijken om te weten dat het waar is.

Ik vrees dat de nachthemel boven Hilversum Mediapark er heel anders uit zal zien dan de Zuid-Franse sterrenhemel van van Gogh, maar ik kan me wel voorstellen dat de dingen er ’s nachts anders en misschien zelfs mooier uitzien dan overdag. Dat sommige dingen scherper omlijnd zijn, dat ze zich meer op de voorgrond dringen dan andere. Zoiets zegt Junichiro Tanizaki in ‘In praise of shadows’, een boek dat ik speciaal meenam, omdat het gaat over het donker. Volgens hem is het niet het licht dat schoonheid brengt, maar het donker. Het donker brengt gelaagdheid en diepte aan.

Hoe het ook zij, ik ga het vannacht zelf meemaken. Zoals Vincent van Gogh schreef in één van zijn brieven: ‘Wat mij betreft weet ik niets zeker, maar naar de sterren kijken zet me aan het dromen.’



Dag 2 - Dinsdag 10 september
Gisteravond stroomde de parkeerplaats vrij snel leeg. Ik had altijd een romantisch beeld van de radio. Ik dacht dat radiomensen tot laat doorwerkten, maar radio maken blijkt voor de meeste mensen toch gewoon een kantoorbaan. Om iets na zevenen vertrok de laatste auto.

De lucht kleurde van licht- naar donkerblauw. Op het water van de vijver dreef doodstil een woerd. Het duurde even voordat ik doorhad dat het geen echte eend was, maar eentje van plastic. Het woord ‘decoy duck’ nestelde zich in mijn hoofd. Niet dat hij veel succes heeft, want levende eenden heb ik hier nog niet gezien.

Hoe langer ik keek, hoe meer dieren ik zag. Twee plastic zwanen. Een reiger aan de overkant, met plastic ogen turend in het bruine water. Vooral die reiger maakte een vreemd soort bedroefdheid in me los.

Het was helaas een bewolkte nacht. Ik had graag een tijdje op de veranda naar de sterren gekeken, maar waarschijnlijk was er sowieso weinig te zien geweest vanwege de zee van licht op de parkeerplaats. Voor wie branden al die lampen?

De verlaten gebouwen, de vleermuizen die ertussen heen en weer schoten en die reiger aan de overkant - die ik niet zag, maar waarvan ik wist dat hij er was - maakte precies de juiste weemoedige stemming in me los om lang door te schrijven. Niet aan gedichten, gek genoeg, maar aan reisverhalen die de vorm van brieven aan lijken te nemen.

Het is natuurlijk de schuld van Van Gogh en zijn ‘Een leven in brieven’. Het zijn heerlijke brieven. Misschien zijn álle brieven trouwens wel heerlijk, nu ik erover nadenk. Maar daarover ga ik later verder nadenken. Nu ga ik eerst de omgeving verkennen. Twee keer de hoek om en je zit hier middenin het Spanderswoud. Er schijnen grote zwerfkeien uit de IJstijd te liggen.



Dag 3 - Woensdag 11 september
Ik heb vannacht niet doorgewerkt. Dat voelt een beetje als falen. ’s Nachts schrijven is immers waarom ik hier zit. Ik had hier in deze blog graag een romantisch verhaal geschreven over hoeveel inspiratie de nacht me bracht, hoe de verbeelding ’s nachts écht dichterbij is, hoe ik vannacht de ene meesterlijke regel na de andere schreef en hoe ik met verkrampte handen van het schrijven, maar met een gloeiend hart de zon op zag komen. Helaas… ik moet jullie teleurstellen. Van inspiratie vannacht geen spoor. Alles wat ik schreef klonk haperend en hoekig. Ik ben om twaalf uur naar bed gegaan.

Vanmorgen besloot ik de dag daadkrachtig te beginnen en trok mijn hardloopschoenen aan voor een rondje op de hei. Toen ik bij Zanderij Crailoo stopte om te rekken zag ik een slang het water inglijden. Hij zwom heel snel en sierlijk, met zijn hoofd boven water.

‘Een ringslang’ appte mijn vriend, toen ik hem later berichtte en het signalement doorgaf. ‘Die zijn ongevaarlijk. Wist je dat ze een slim trucje hebben om vijanden om de tuin te leiden?’

Ik weet weinig van slangen, dus ik had geen idee.

‘Veel vijanden van de ringslang eten alleen levende prooien’, zei hij. ‘Om die vijanden te misleiden draait de ringslang zich kronkelend op zijn rug en doet of hij dood is. Dan laat hij zijn tong uit zijn bek hangen en draait zijn pupillen weg.’

‘Tuurlijk joh’ appte ik. Soms verzint mijn vriend zulke dingen om me voor de gek te houden of aan het lachen te maken.

‘Sterker nog’, zei hij, ‘om het nóg overtuigender te maken, laat hij soms zelfs een straaltje bloed uit zijn bek lopen.’

Nu wist ik zeker dat hij het verzon. Maar toen ik het later opzocht op een of andere website over slangen, bleek er geen woord van gelogen.

‘Soms is de werkelijkheid absurder dan je fantasie’, zei Jan Mom toen hij me maandagavond interviewde. Zo is het. Soms kun je beter een rondje gaan hardlopen dan de hele nacht opblijven en wachten tot je zelf iets schitterends verzint. Maar wie weet wat de nacht vannacht voor me in petto heeft…



Dag 4 - Donderdag 12 september
De zon scheen toen ik wakker werd, dus besloot ik een lange wandeling maken over de heide. Zonder navigatie om misschien een beetje te verdwalen. Wat niet mogelijk bleek, want het stikt hier van de ANWB-paddenstoelen. Bovendien steekt de Omroeptoren op het Mediapark overal bovenuit. Die staat zo’n beetje naast de woonwagen. Dus alle wegen leiden hier naar huis.

Ik liep het bos in en volgde eerst de op de paddenstoelen aangegeven route naar de ‘natuurbrug’. Geen idee wat ik me daarbij voor moest stellen, maar even later liep ik voor het eerst van mijn leven over een ecoduct. Het voetpad was door een laag hek en wat begroeiing gescheiden van een doorgang van zo’n vijftig meter breed die misschien ‘corridor’ genoemd wordt. Het is niet zomaar een ecoduct. Het is het langste ecoduct ter wereld en een van de weinige die ook voor mensen toegankelijk is. Het biedt herten, dassen en wilde zwijnen de mogelijkheid om veilig van het Spanderswoud de Gooise heidevelden en de Wester- en Bussumerheide te bereiken zonder de N524 en de spoorlijn over te hoeven steken. Of omgekeerd natuurlijk, in de dierenwereld bestaat geen eenrichtingsverkeer.

Ik had nog nooit een ecoduct gezien. Alleen van onderaf, er in de auto onderdoor rijdend. Niet op ooghoogte. Niet op de hoogte van herten, dassen en wilde zwijnen. Op sommige plekken is de begroeiing zo laag dat je goed zicht hebt op de corridor. Het is een schitterend landschap. Alsof je in de Oostenrijkse of Zwitserse Alpen bent. Een landschap uit ‘The Sound of Music’. Het is net een bergvallei: met gras begroeide rotsen maken het tot een glooiend en oneffen terrein. Her en der liggen verweerde boomstronken waarachter het ongetwijfeld goed schuilen is. En ook het hoge gras, vol veldbloemen en kruiden, biedt beschutting aan kleine dieren zoals reeën en dassen. Ik stond een tijdje te kijken naar die ogenschijnlijk wilde, maar in werkelijkheid zorgvuldig uitgekiende en aangelegde wereld terwijl onder me het verkeer raasde.

Hoe zou het zijn om een dier te zijn? Hoe vind je de doorgang naar deze smalle brug als je een hert bent en de paddenstoelen met ‘natuurbrug’ niet kunt lezen. Door sporen te volgen van andere dieren? Door geursporen? Ik dacht aan Charles Foster, de Engelse dierenchirurg en hoogleraar medische ethiek die zó graag wilde weten hoe het was om een dier te zijn dat hij besloot te leven als een dier. Onder andere als hert, als otter en als das. Om te weten hoe het is om een das te zijn, trok hij het bos in, groef een soort dassenburcht, sliep daar overdag onder de grond en kroop ’s nachts op handen en voeten door het bos. Hij at wormen, likte aan stenen en probeerde de wereld om hem heen te begrijpen via geur. Hij probeerde kortom das te wórden.

Toen ik er voor het eerst over las, ik geloof in de krant, raakte het me. Ik wist niet goed waarom. Er waren mensen die hem voor gek verklaarden, maar ik begreep zijn verlangen ergens wel. Al kon ik het dus niet goed uitleggen. Het was niet zo dat ik zelf graag op handen en voeten door het bos zou kruipen, maar ik herkende het verlangen om zonder twijfels, zonder stress, zonder moeilijke menselijke omgangsvormen, gewoon te zíjn. Zoals dieren doen.

Zo liep ik over die brug, me afvragend hoe het zou zijn een hert te zijn. Toen ik aan het eind van de brug kwam, waar het heide- en bosgebied zich uitstrekte, zag ik twee reeën die tussen de bomen bladeren van een lage boom plukten. Een hinde en een kalf. Toen ze mij in de gaten kregen, eerst hun alerte oren en vlak daarna hun donkere ogen, keek de hinde me lange tijd aan. Een lang, vreemd en intens moment. Toen er verderop een brommer het fietspad opscheurde, werd de betovering verbroken. De reeën schoten tussen de dicht opeenstaande boomstammen door, pijlsnel, maar zonder ze te raken. Alsof ze geen dieren waren, maar stralen zonlicht.

Toen ze verdwenen waren, was ik weer gewoon mezelf: een vrouw met een rugzak op weg naar de hei en met een liedje in haar hoofd dat er de rest van de dag niet meer uit ging: ‘Do: a deer, a female deer. Re: a drop of golden light…’



Dag 5 - Donderdag 13 september
De laatste dag alweer. Ik zal het missen hier. De woonwagen, het bos, de hei, de geluiden van de nacht, de zeeën van tijd waarin ik kan lezen, schrijven, mijmeren.

Het enige dat ik niet zal missen, is het keukentje in het atelier. Dinsdagavond bakte ik een groenteomelet. Dat bleek om meerdere redenen een slecht idee. Ten eerste omdat er in het atelier alleen van die slappe niet-scherpe messen zijn, van die dingen die ze ook in gevangenissen gebruiken om te voorkomen dat gevangenen zich van het leven beroven. Neem van mij aan dat bajesklanten geen uien snijden. Ten tweede omdat er, nadat ik die uien tóch met dat flexibele plastic mes had weten te slachten, bleek dat er geen afzuiger is. En ook geen deur naar de slaapkamer. Mijn bed ruikt al dagen naar gebakken ui.

De dag erna at ik met de Opium-redacteur van dienst in mijn woonwagen. Pokébowl met zalm, in de stromende regen gebracht door een jongen op een bezorgbrommer. Is er een fijner geluid dan regen op het houten dak van een woonwagen? Het was prettig om na een paar dagen eenzame afzondering weer met iemand te praten. We spraken over radio en poëzie. En over melancholie. Hij had mijn blog over de plastic dieren gelezen. Volgens hem zijn er twee soorten mensen. Zij die plastic dieren in een vijver grappig vinden en zij die er droevig van worden. Ja, zelfs de plastic reiger zal ik missen. Voorál de plastic reiger.