Even voorstellen
Evelien Vos (1987) publiceerde begin dit jaar haar eerste roman: ‘Niemand keek omhoog’ bij Uitgeverij Van Oorschot. Eerder schreef zij een bundel zeer korte verhalen: ‘Zeer Korte Liefdes’ (2016, AFdH Uitgevers), werd zij tweede bij de A.L. Snijdersprijs en publiceerde zij in Tirade. Over ‘Niemand keek omhoog’ schreef het NRC: ‘Vos’ proza is spannend, juist dankzij de onderkoelde wijze waarop haar ik-persoon de wereld waarneemt. Geraffineerd wekt ze het vermoeden dat er meer achter moet zitten. Ze laat je raden naar wat er aan de hand is, welke lading de woorden precies hebben, je gaat je gaandeweg steeds meer afvragen of de verteller eigenlijk wel betrouwbaar is.’

Atelierplan
‘Ik houd van nieuwe vormen uitproberen. De komende week wil ik weer eens korte verhalen schrijver, maar iets minder kort dan de zeer korte verhalen die ik eerder schreef en die maximaal 225 woorden telden. Ik denk nu aan stukjes van het dubbele aantal woorden. Dat klinkt misschien niet als een heel spannend experiment, maar ik heb het een enkele keer eerder bewust geprobeerd en het is grappig om te merken hoe groot het verschil is. Je hebt meer ruimte om iets dieper op dingen in te gaan, maar je moet heel bewust kiezen waarop en hoe je dieper op iets ingaat, want het kan snel saai of uitleggerig worden. Aan de andere kant kun je niet op dezelfde manier waarop je een verhaal van 225 woorden schrijft, doorschrijven tot 450 woorden, dat is weer te intens. Bij het zeer kort verhaal hebben de lezers de 225 woorden die niet geschreven zijn nodig om bij te komen. Ik ben benieuwd of het me lukt om korte verhalen te schrijven waarin ik meer kan zeggen, maar voldoende aan de verbeelding overlaat.’

Dag 1

Na drie kwartier in dit huisje voelt het alsof ik hier al een dag zit. Mijn jas hangt aan een haakje, mijn boeken staan op een rijtje op het bureau en  mijn tandenborstel ligt naast de kraan. Op de koude stoel heb ik een wollen deken gelegd die op een van de keukenkastjes lag.

Soms ga ik weleens bij mijn ouders langs als zij in een huisje op Terschelling of in de Ardennen zitten. Het verrast me steeds weer hoeveel het huis dan naar hen ruikt. Naar de Nivea van mijn moeder, de waxjas van mijn vader, de tulpen die ze voor de gezelligheid in het huisje laten uitbloeien en de sinaasappels die in een pan in de keuken staan.

In zijn boek ‘De goede zoon’ schrijft Rob van Essen: ‘Ik wil een moeder die lekker ruikt.’ Mijn moeder ruikt eigenlijk altijd lekker, naar haar fietstochtje naar de HEMA en naar een schoon bed waarin ze niet piekert.

Een vriendin van me weet dat ze tijd voor zichzelf nodig heeft als ze vindt dat haar vriend uit zijn mond stinkt. ‘Normaal namelijk niet, dus dan is het vast iets in mij,’ zei ze. Het is een frisse dag aan het eind van de lente, de groene bomen ruisen en het licht verandert steeds door de wolken die langs de zon waaien. 

Dag 2
Vandaag rijden de treinen niet en heb ik thuis geschreven. Op maandagochtend reed ik met een vrolijke conducteur van Amsterdam Centraal naar Hilversum Mediapark.

‘Er zitten allemaal Libelle dames in mijn trein!’ riep hij, toen hij zich naast twee zestig plus vrouwen op een stoel liet zakken.
Ik denk dat de vrouwen lachten, maar ik weet het niet zeker, ik zat met mijn rug naar hen toe en probeerde me op iets anders te concentreren. Gesprekken van anderen citeren is meestal een zwaktebod.

'Mag ik zeggen dat ik je stoer vindt?' hoorde ik de ene vrouw tegen de andere vrouw zeggen. ‘Niet zo’n eenheidsworst.’
‘Nee, dat ben ik zeker niet! Leeftijd zegt niets,’ antwoordde de andere vrouw met harde stem.
‘Ja, het is maar een getal.’
‘Wat?’
‘Het is maar een getal!’ riep de vrouw.

Misschien dat de conducteur lachte of nadacht over zijn eigen leeftijd. Ik keek naar buiten. Op het groene veld waar we langsreden stond een zwarte koe met z'n staart strak naar achter te pissen.

Dag 3

Vandaag ben ik wat later in de pipowagen begonnen. Het lukt me niet om weg te gaan van huis. Misschien stond het woord pipowagen me tegen, het is een woord dat ik niet serieus kan nemen en ik heb altijd al een hekel aan clowns gehad. Bassie en Adriaan vond ik eng, het circus vond ik stom en op de eerste cabaretvoorstelling waar ik in mijn leven heenging, moest de vader van mijn eerste vriendje om elke grap lachen, waarbij hij steeds omkeek naar mij.

Ik kan het woord natuurlijk gewoon niet gebruiken, maar dat voorkomt niet dat anderen het zullen blijven zeggen. De afgelopen dagen heb ik het minimaal vijf keer gehoord.

Los van de naam is de ruimte fijn. Het is helemaal van hout en op de vloer ligt vloerbedekking. Zondagmiddag was ik op de verjaardag van een vriendin wiens broer vloerbedekkinglegger is. Ik denk dat vloerbedekking en pipowagens precies even lang zullen blijven bestaan.

Dag 4
Ik schrijf met de deur open. Het motregent. Een paar vogels en veel verkeer. Later vandaag leen ik een fiets en haal ik soep. De supermarkt was nog dicht. Het is Hemelvaart. Ik liep via de straten langs het spoor richting de AVRO-TROS. Over de rubberen matten die op het natte zand lagen. Ze zijn de stoep aan het renoveren, maar ik zag niet precies hoe. Tussen de straat en het spoor staan verschillende bomen en struiken en bloemen die je door de zachte regen heen nog beter rook. Ik ademde de geur van natte aarde, schors en bladeren diep in en uit en dacht aan de camping in de Achterhoek waar ik als kind met mijn ouders kampeerde en waar ik wakker werd van de duiven.

Gisteravond in bed las ik een boekje over een vrouw die tienduizend kilometer liep voor de vrede en niets meer bezat dan ze in haar jaszakken had. Ze zei niet dat iedereen alleen een jas mocht bezitten, maar ze voorspelde dat als je je diepste verlangens kende dat je dan minder om spullen zou geven. Ik zou willen dat ik meer namen van bomen, struiken en bloemen kende. Net heb ik onder een wollen deken koffie gedronken en het dagboek van Jan Wolkers (1969) gelezen. Dat gaf me goede moed.

Dag 5

Ik dacht dat ik gister een boswandeling zou maken en soep zou kopen. Maar ik dronk koffie met een radiomaker op het Media Park en haalde patat op het station. Thuis had ik zoveel hoofdpijn dat ik niets meer schreef en bier drinken de enige oplossing leek. Ik zat eerst in de tuin met een blikje en een deken. Toen kwamen twee buurvrouwen, die ik heel vervelend vind en die mij heel vervelend vinden, buiten zitten en ging ik weer naar binnen en op de bank liggen. Twee uur later kwam ik eraf en warmde ik de rijst op die ik een paar dagen eerder had gemaakt. Het zou nog uren licht zijn. Ik had nog een paar minuten om bij de bioscoop te komen en de documentaire over Nurkuyev te zien. Toen ik daar weer twee uur later uitkwam, leek de hele straat gezandstraald. De huizen hadden blekere kleuren dan daarvoor, ik zag voor het eerst in maanden een stel hartstochtelijk kussen en op de hoek van mijn straat hing een vrouw een wit laken uit op een balkonnetje dat me nooit eerder opviel. Ik dacht aan hoe mijn vriend en ik vijf dagen eerder dansten in een zaaltje waar de zweetdruppels van de leidingen vielen en een man die we niet kenden onze entree betaalden. Ik kan mijn dagen niet plannen.