STER Advertentie

Omdat ze nog geen mens is, heeft de Keizerin geen schaduw. Ze kan ook geen kinderen krijgen. De opera vertelt haar zoektocht naar deze schaduw: ze moet leren mens te worden. Toch is dit geen verhaal over de vruchtbaarheid van de vrouw, maar het verhaal over twee huwelijken met een misverstand. De Keizer is geen goede echtgenoot: het enige wat hij doet is jagen en met zijn vrouw naar bed gaan. In de eerste akte zal de Voedster van Keizerin het voorstel doen om een schaduw te halen bij de mensen, aan wie de Voedster een enorme hekel heeft. Zo zullen de Voedster en de Keizerin belanden bij de verver Barak en zijn Vrouw. Ook daar zijn problemen: Barak is een zeer goedmoedige man en zijn jongere Vrouw lijkt een kijvende feeks. Barak negeert met zijn goedmoedigheid echter voortdurend de ware behoeften van zijn echtgenote. De twee paren zullen onderworpen worden aan een proef van Keikobad, waardoor ze nader tot elkaar zullen komen.

Eerste bedrijf
Als de opera begint, horen we de naam Keikobad driemaal in het orkest. We zijn op een van de eilanden van de Keizer, bij zijn slaapvertrekken en horen een straal van licht over het water gaan. De Voedster denkt dat Keikobad nadert, maar het is de Geestenbode, zijn dienaar. Die vertelt de Voedster dat de Keizerin geen schaduw werpt. Dat zal in drie dagen moeten gebeuren, anders zal de Keizer in steen veranderen en de Keizerin terug moeten keren naar haar vader.

Zodra we de Keizer zien verschijnen, zien we het probleem: hij houdt van zijn vrouw, maar is alleen in de nacht bij haar en gaat overdag jagen. Zijn bedoelingen zijn weliswaar heel hoofs (‘Als ik jaag, is dat voor haar’), maar het enige wat hij lijkt te doen, is met haar naar bed gaan. Vandaag zal hij op zoek gaan naar de rode valk die hem hielp de Keizerin te vangen. Drie dagen lang zal hij niet terugkomen. Zijn muziek is heroïsch en mannelijk: hij stormt weg. Als de Keizerin opkomt, horen we muziek als uit een andere wereld: transparant als zijzelf en licht. Is het het dromenland waarin ze nog zegt te verkeren of is het een teken dat zij eigenlijk geen echt mens is? Vogelgeluiden begeleiden haar opkomst: de ochtend is aangebroken.


Een muzikaal figuurtje in de houtblazers – ietwat morse-code-achtig – laat ons horen dat de rode valk van de Kaiser door het luchtruim zweeft. Hij is teruggekeerd. Hij bloedt en hij huilt en heeft een boodschap voor de Keizerin: ze heeft geen schaduw en daarom zal de keizer verstenen. Tijdens deze waarschuwing blijven we het motiefje van de valk horen, dat later in de opera terug zal keren. De Keizerin weet intussen niet hoe ze aan een schaduw zou moeten komen. De raadt die ze van haar Voedster krijgt, is om er een te stelen bij de mensen. De voedster geeft een gruwelijk beeld van die mensenwereld, maar de Keizerin wil er toch naartoe. We horen aan de muziek hoe het tweetal door de lucht naar die andere wereld zweeft. De muziek die Richard Strauss heeft gecomponeerd om ons de mensenwereld binnen te leiden, verlaat het sprookjesachtige: we horen dreunende geluiden als van machines: een geïndustrialiseerde wereld.

We komen bij het huis van Barak de verver en zijn in de opera naamloze Vrouw, het paar dat door de Voedster is uitgekozen om een schaduw te halen. Wat er mis is bij dit koppel, wordt direct duidelijk: we zien Baraks drie broers – een gebochelde, een eenogige en een eenarmige – met elkaar vechten en wie goed naar het orkest luistert, hoort hoe Richard Strauss daar uitbeeldt dat de Vrouw een emmer water over het drietal leegt. En dan horen we haar direct woedend kijven: ze haat de drie broers, die wellicht symbool staan voor de onvolkomenheden van haar man Barak zelf. De broers bespotten haar: ze is bedelares, ze is er slechts opdat Barak zijn lust kan bevredigen en vooral, ze is niet meer dan een vrouw. Ziedaar: de Vrouw heeft geen gemakkelijk karakter – volgens tekstschrijver Hugo von Hoffmansthal was ze gemodelleerd naar Strauss’ echtgenote Pauline, die temperamentvol en overheersend kon zijn, maar die ook sterk en gedisciplineerd was – maar anderzijds wordt ze in dit nucleaire gezin als een voetveeg behandeld. Hoewel Barak, die snel daarna opkomt om de broers weg te sturen, een nobel en warm karakter toont, heeft hij weinig begrip voor de gevoelens van zijn vrouw. Hij ziet haar woede als iets wat ooit wel zal verdwijnen.

Barak wordt vocaal geschilderd in een lange, belcanto-achtige frasen, terwijl zijn Vrouw hem antwoordt in hoekige, spitse zinnen. Daardoor lijkt hij een en al begrip en noblesse en zij een feeks. Zo werkt het echter niet: Barak vraagt haar om kinderen, maar reageert met zijn nobele zang niet op wat zijn vrouw dwars lijkt te zitten. Hoe lief hij dat ook bedoelt: men kan zich haar irritatie wel voorstellen. Het maakt hem niet tot een slecht mens: een lyrische orkestpassage schildert zijn liefde voor zijn echtgenote. Zij is het, die op zeker moment in dezelfde rustige tonen probeert uit te leggen dat ze het moederschap niet ziet zitten. Barak zegt geduld te willen hebben, omdat zijn Vrouw haar woorden immers zou kunnen herroepen. Zij zegt echter liever te vertrekken, waarop hij ontwijkend reageert: “Als ik mijn waren zelf naar de markt draag, spaar ik een ezel uit.” En hij gaat.

Daar is ineens de flinterdunne sprookjesachtige muziek weer: de Voedster en de Keizerin staan plotseling in het huis. De Voedster komt bijna gelijk ter zake: deze schoonheid die voor haar staat, kan onmogelijk de vrouw zijn van de man die ze net met gekromde rug naar buiten zag gaan. En ze zal haar mooie lichaam toch niet opgeven voor het krijgen van kinderen: wil ze haar schaduw niet verkopen?De Voedster tovert de wantrouwige Vrouw een droombeeld voor: een groep dienaressen, onder wie drie solostemmen, spreekt de vrouw aan met ‘Zoete meesteres’ en de stem van een mooie jongeman weerklinkt. Het droombeeld verdwijnt op het hoogtepunt. De Voedster vraagt of de Vrouw haar lijf daadwerkelijk tot een hoofdweg wil maken, waarover veel kleine Ververtjes de wereld in zullen komen. Ze splijt het bed van het echtpaar in tweeën, zodat de Vrouw drie dagen lang alleen kan slapen. In die tijd zullen de Keizerin en de Voedster overdag haar dienaressen zijn. De Voedster tovert zes vissen in een pan voor de Vrouw, die het eten klaar moet hebben als haar man thuiskomt. Terwijl de Vrouw de vissen bakt, hoort ze tot haar afgrijzen haar ongeboren kinderen roepen: “We zijn bang in het donker!”

Als Barak terugkeert van de markt, vindt hij een eenzame slaapplek. Goedmoedige man die hij is, legt hij zich er bij neer, maar een trieste ondertoon is in de berustende muziek gekropen.


Tweede bedrijf
In het tweede bedrijf zijn we in Baraks huis: hij is wederom op weg naar de markt en wordt uitgeleide gedaan door de Voedster, die nu als dienares werkt voor het echtpaar. De muziek is zoetig en vleiend en het is hoorbaar dat de Voedster weer met haar toverkracht aan het werk is: ze roept de jongeman op die in de dromen van de Vrouw verschenen is. De Vrouw durft zich echter niet door de jongeman te laten benaderen.

De muziek wordt plotseling een stuk energieker: Barak keert terug met een grote hoeveelheid voedsel voor zijn broers en voor bedelende kinderen die achter hem aan zijn gelopen. De muziek verandert als de vrouw opnieuw in woede ontsteekt, maar Barak negeert dat en het lied van de bedelaars klinkt opnieuw in het orkest. Dan verandert de sfeer: we horen de roep van de valk in het orkest en een lange cello-solo. In zijn valkenjachthuis wacht de Keizer op de Keizerin, omdat hij een briefje gehad heeft waarin stond dat ze daar zou zijn. Hij spreekt tegen zijn valk, die we in het orkest horen reageren. Als hij ziet hoe de Keizerin en de Voedster door een deur naar binnenglippen met de geur van mensen om hen heen, wordt hij woedend. Hij wil zijn vrouw, die hij van ontrouw verdenkt, vermoorden, maar vlucht in plaats daarvan weg.

We zijn wederom bij Barak en zijn Vrouw. De Voedster geeft Barak een slaapdrank en tovert de jongeman weer tevoorschijn. Als de Vrouw weer bang wordt, wekt ze Barak. Ze verwijt hem te slapen en begint toespelingen te maken op zijn geringe seksuele prestaties. Ze besluit uit te gaan zonder hem en laat de Voedster volgen als ze op triomfantelijke muziek Baraks hut verlaat. Barak ziet hoe de Keizerin is achtergebleven om hem te bedienen. Als ze ’s nachts in het valkenjachthuis verblijft, is haar de blik van Barak bijgebleven. Terwijl de valk wederom waarschuwt – ‘De vrouw werpt geen schaduw! De Keizer moet verstenen!’ – klaagt de vrouw dat ze alles doodt wat ze aanraakt. Haar angst wordt in een wild naspel van het orkest verbeeldt.

Terug in Baraks huis horen we dreiging in de muziek, alsof de geestenkoning Keikobad alles al in zijn greep heeft. De Voedster vertelt de Keizerin dat er grotere machten over het huis zijn neergedaald. Het is duister. De Vrouw vertelt haar man nu dat ze hem ontrouw is geweest, terwijl hij sliep. Ze heeft haar schaduw verkocht. Als ze in het licht van het haardvuur staat, is te zien dat ze geen schaduw werpt. Nu maakt ze Barak zo boos dat hij haar wil doden. De Voedster geeft hem een zwaard. De heftige reactie van Barak – die ze nu eindelijk in zijn ziel getroffen lijkt te hebben – doet de Vrouw beseffen dat ze van hem houdt. Het zwaard wordt door een onbekende macht uit Baraks hand gerukt. De Voedster roept dat de Keizerin de schaduw van de Vrouw moet grijpen. De weigering van de Keizerin om dit te doen is in de muzikale uitbarstingen nauwelijks te horen. De Voedster neemt de Keizerin mee terwijl Barak en zijn Vrouw door de aarde verzwolgen worden.


Derde bedrijf
In het derde bedrijf horen we aan de muziek dat we in Keikobads machtsdomein zijn. Daarnaast horen we in het orkest de stemmen van ongeboren kinderen. Barak en zijn Vrouw zitten gescheiden opgesloten in cellen. De Vrouw laat andermaal weten dat ze haar schaduw uiteindelijk toch niet had willen afstaan, maar Barak hoort haar niet. Ze bekennen elkaar hun liefde. Een stem zegt dat ze vrij zijn om te gaan.

In een boot naderen de Voedster en de Keizerin de tempel van Keikobad: we horen zijn naam weerklinken in het orkest. De Voedster wil er weg, maar de Keizerin herkent de plek uit een droom en weet dat ze hier moet zijn om haar man te redden. Ze verstoot de Voedster. In haar woede stuurt de Voedster Barak en zijn Vrouw, die naar elkaar op zoek zijn, de verkeerde kanten op. Als ze dan toch de tempel in wil en roept om Keikobad, verspert de Geestenbode haar de weg en duwt haar terug in de boot. Ze zal naar de mensenwereld varen om voor altijd te zijn tussen degenen die ze zo haat.

Verstilde muziek brengt ons in de tempel van Keikobad. De Keizerin wil haar vader zien. Waterachtige muziek weerklinkt: de Tempelwachter (een hoge stem) verleidt de Keizerin tot het drinken van levenswater, want zo zal zij de schaduw van de Vrouw kunnen overnemen. Dan ziet ze ineens de al bijna versteende Keizer zitten. Alleen zijn ogen lijken nog te leven: ze kijken haar aan. De Keizerin weigert echter te drinken als ze de stemmen van Barak en zijn Vrouw hoort. De Keizerin wanhoopt en weet even niet wat ze moet doen. Opmerkelijk genoeg zingt ze niet langer, maar spreekt. De Tempelwachter heeft haar tweemaal verleidt tot het drinken van het levenswater, maar uiteindelijk zegt ze: “Ik wil…NIET.”

Het toneel wordt donker. Als het weer oplicht, zien we dat de Keizerin een schaduw heeft en die horen we bovendien in de muziek – de hoge strijkers en een glasharmonica – terwijl de Keizer weer tot leven is gekomen. De Keizerin heeft geleerd compassie te hebben met andere mensen: ze is behept met menselijk gevoel. Keikobad heeft haar daarom vergeven dat ze naar de mensenwereld is gegaan. Barak wordt herenigd met zijn Vrouw. De stemmen van ongeboren kinderen prijzen de twee koppels.

Korte inhoud met muziekvoorbeelden 

De trailer voor de productie van Die Frau ohne Schatten uit 2008