Daar gaan we weer. Zo heet de voorstelling van Wunderbaum die ik maandag zag op het Theaterfestival. Zit je opeens midden in een verhevigde vorm van het racisme-debat. Populisme als satire/sarcasme. Een lange litanie van cliché’s die voorstanders en tegenstanders op elkaar afvuren. Voor wat? Eh … Het publiek zit er in een cirkel omheen, je kijkt ook naar elkaar. Er zat één zwarte jongen links in mijn beeld. Iedereen (het volk) om hem heen lag dubbel. Aan zijn gezicht was niks af te lezen. Soms boog hij voorover. Langzaam ging ik kijken met zijn ogen.

En eigenlijk gaat het allemaal over heimwee. Daarom dit gedicht van Milosz, in de vertaling van Gerard Rasch:

 

In mijn vaderland

In mijn vaderland, waar ik niet terugkeer,

is ergens een meer in een bos, reusachtig,

met weidse wolken, verscheurd en fantastisch;

wanneer ik achter me blik, dan zie ik ze weer.

 

En ondiep water in donkere schemer fluisterend,

een bodem waarop gras vol doornen groeit,

de roep van zwarte meeuwen, zonsondergangen

koud en rood, daarboven talingen fel fluitend.

 

't Slaapt in mijn hemel, dat meer van doornen.

Ik buk en ontwaar op de bodem een lichtschijn,

mijn leven. En ook wat mij bang maakt is daar,

tot de dood voor eeuwig mijn vorm heeft voleind.