STER Advertentie

Even voorstellen
Ike Krijnen (1984) is schrijver en voordrachtskunstenaar. Plaatjestolk en podiumbeest. Beelden, van alle soorten, zijn belangrijk voor hem – als beginpunt en als einddoel. Film is een grote inspiratiebron. Hij is een student van het absurdisme, een ridder in de orde van het surrealisme. (“Ismen zijn denkbootjes.”) Dat taal beelden in zich draagt is waarom hij gelooft dat alle mensen dichters zijn. Hij leent die verbeeldingskracht, om vreemde werelden te ontdekken en daarin het bestaan een plek te geven.

Ike studeerde in 2018 af aan de Schrijversvakschool Amsterdam (poëzie). In 2015 brak hij door als spoken word artiest, werd genomineerd voor een Van Dale SPOKEN Award. Hij werkt als editor voor het Engelstalige project I.G. Karfield. Zijn gedichten verschenen in ROAR Magazine en DAWG Review. De rest is toekomst.

Atelierplan
‘Op het moment ben ik bezig met een project waar ik zoveel ingangen heb tot mogelijke gedichten, dat ik extra dimensie zoek om die werkelijk te nemen, in te stappen. In het dagelijks leven kan ik me die ruimte niet altijd veroorloven; als ik in dat proces zit, ben ik voor mijn omgeving niet om uit te staan – of afwezig. Mijn vrouw en zoon lijden daar soms onder: zij zijn mijn grootste geluk en ook de grootste concurrent van de poëzie. Ik zal die twee als een malle missen de komende dagen, maar deze residentie biedt de leegte om te horen wat ik zie en vertalen moet. En zij hebben eindelijk een weekje rust.

Schrijven is kijken en dan laten zien. Daarvoor moet je naar al dat geblèr en gefluister in jezelf luisteren – de trillingen van je zintuigen – en dan, hop, aan het werk. Van trilling naar trilling. Ik ga heel veel trillen in dit wagentje. Op de hei.’

Dag 5 - Vrijdag 13 maart

‘Nog één keer beelden.’
Het is een provinciale weg, niet een snel-. Wat een bende, wat een herrie desalniettemin. Gisteravond liet ik drie herten schrikken en doen beslissen om hun slaapplek op te geven uit angst voor bedreiging door een andere diersoort. Maar ik was het niet. Dit soort had rubberen zolen – net als wij – die in de rondte tollen: het waren de blikken, obese bijen die mij die eerste nacht wakker of in ieder geval bezig hielden; nu de herten de stuipen op het lijf joegen. (Ja, ik had ook gewoon “auto’s” kunnen schrijven – ik loof uw attentie.) Om 0:57 u. besloot ik dat het geluid afgelopen was. Ik koos ervoor om de enkele laatkomer die nog kwam, wanneer hij gekomen werd te negeren; vanaf nu was er stilte.

De herten werden vanmorgen achternagezeten door een bordercolli – een woord dat veel weg heeft van broccoli, dat weer op E. Coli lijkt en daardoor moet ik aan andere dingen denken die nu spelen. Ik ben één van de gelukkigen die slechts zijn toch al overbodige luxe van een kunstenaarsresidentie hoeft op te geven (op de laatste dag). Had het land niet op slot gehoeven, was ik nu onderweg naar het Bijlmer Parktheater om daar een ode aan de vrouw te dansen en spreken, samen met kunstenaar Melisa Diktas. Dat Festival Zus&Zo niet doorgaat is wel een groot verlies.

De laatste keer de bossen in, deze week, voordat Annemieke van Opium straks langskomt voor het gesprek dat eigenlijk vanavond in de studio’s moest plaatshebben. Ik heb een doel gesteld, zowaar: niet om te verdwalen (dat is onmogelijk in deze, met provinciale wegen omheinde heideparken), maar om het huis van Dick Dee Wee te vinden. Schrijver. Medium. Complotdenker. Op papier een man naar mijn hart. Hij heeft geen tijd, zegt ‘ie, wat ik opvallend vind voor een reiziger van dimensies, of tenminste: iemand die daar in gelooft. Tijd is het eerste wat ik bij zo’n reis zie verdwijnen. Is dat nu net de last van elk stuk materie dat in staat is zich voor te stellen geen stuk materie te zijn – de steen die gelooft in lucht? Die kan nog zo hard geloven, zal toch moeten vallen als die wordt losgelaten. Dick gaf ons instructies die hij uit de kosmos ontving over hoe we van de derde naar de vijfde dimensie kunnen reizen, maar nu en hier verwacht hij binnen enkele minuten een auto die hem in de stad afzet. Soit.

Het spiegelveld van het meer is ons rechtop als de hofvijver van K. Michel getrokken en ik zie mezelf tot 70-jarige vossenvechter verrimpelen, met krassen op het gezicht waar geen rimpels lopen of er dwars doorheen. Eelt op de knokkels van het voorovergebogen boven konijnenholen zitten. Mensen die op je deur kloppen, niet om van de derde naar de vijfde te reizen (dat kun je voor 17,50 EUR zelf lezen), wel om voor Man Bijt Vos een item te draaien over deze koekwaus hier in het bos.

‘Maar ik ben een aspirerende dichter en wil van u leren – oh, nee, dat bent u.’
Ik doe de deur dicht, loop naar de keuken, waar ik niet wacht op een auto die mij in de stad afzet.

DAG 4 - Donderdag 12 maart

‘Ike in afzondering aan de poëzie.’

Feit # 20: ongemakkelijke situaties leiden tot stiltes. En ik kom vandaag al moeilijk uit mijn woorden.

Stiltes leiden tot ongemakkelijke situaties. Dat heb ik ondervonden met: een vlinder die in het bos niet aanwezig bleek te zijn; een bundel van een jonge dichter die me het gezicht van god ontnam en in de plaats daarvan mijn hele kijk op poëzie naar de tyfus hielp; een bundel van een jonge dichter die mijn Jim heeft gekidnapt en hem verving met een nieuwe kijk op naar de tyfus geholpen poëzie; een door vossen opgeëiste opening naar een burcht waar niemand thuis was; het onder quarantaine worden gesteld in de pipowagen van het AVROTROS-gebouw dat onder quarantaine wordt gesteld; de wind die niet terugpraat, maar wel heel veel zegt; herten die niet op- of omkijken.

Ik heb stilgezeten bij de feloranje boomringen van een veel te jong gestorven naaktzadige.
Ik heb mijn handen over het spoor gelegd en geen treinen gestopt.
Ik heb koeien gezien en hoe zij net als de rups hun kaken niet laten vallen als ze gras eten, maar daarvoor alleen hun lippen uit elkaar.
Ik heb een gedicht uit een cyclus verwijderd waarin ik stel dat ik ook twee vagina’s heb, gewoon, omdat het zo voelt – maar ik me daardoor meer een groupie achtte dan een dichter, hoewel ik weet dat het niet uitmaakt hoe ik mezelf zie, zolang de poëzie er maar niet onder lijdt.
Ik heb overwogen om de zendtoren hierachter, die elke foto die ik van de natuur heb gemaakt heeft gebombed, als het roer van de aarde te zien – zo’n pinnetje in een horloge dat je op verschillende niveaus uittrekt om bepaalde onderdelen van het uurwerk te verzetten. Maar dat heb ik niet gedaan.
Ik heb mezelf in een meer vermoord. Of eigenlijk: was ik al dood.
Ik heb ongemerkt de liefde met een zespotige bedreven.
Ik heb een bril aan de voet van een boom gevonden.
Ik heb gedacht de makkelijkste weg te kiezen.
Ik heb foto’s van lege supermarkten gezien.
Ik heb een gedicht afgemaakt.
           Ik heb mijn ik afgezet.

Feit # 18: de enige manier om te weten dat wij één zijn is door dezelfde ziekte op te lopen.

 het is moeilijk te zeggen

affectie al

besmet borstkas

dagenlang dat de de die

een

fibrose

gaat geen

hebt het hoe huidcellen

in is

je je je

kan koorts

liever long

maar met met mogelijk

naar niet niet

of omdat

procent

staat

tegen teken tijd

van van verkeert vertoon vijftig voor vult

waar waren water weten weten

zich ziekenhuis

0

DAG 3 - Woensdag 11 maart

Vandaag – nee, zo zal ik een blogbijdrage niet willen beginnen. De hei lonkte en trok mij, toen het bewolkt begon te raken naar binnen. Buiten dus. Maar de wolken hadden niet zoveel zin als ik. Ze speelden wel, overspoelden niet en lieten zonlicht toe. Daardoor kon ik dingen ruiken die ik normaalgesproken niet ruik. Ik heb mos geroken. In Diemen is geen mos, alleen als je goed kijkt. In Diemen kijk ik niet goed. Mijn ogen worden hier door de takken van de meest kronkelige bomen opengetrokken als de ogen van Alex Orange. Ik haat wandelen in de natuur: steeds weer verwonderd worden. Ik vond een boomeiland waar ik beschut van de wind kon zitten. En daar bleef ik zitten tot ik wakker werd op DAG 4. Mijn benen waren met boomwortels vergroeid en ik had een baard van bruine rupsen. 

Als deze rups een vlinder moet worden
dan vrees ik voor ’s werelds orde
wat de wieken van deze teweeg zullen brengen

ik zeg dat ik vrees maar ik probeer alleen
aansluiting te vinden bij mijn publiek
persoonlijk ben ik een groot voorstander van chaos
en wens ik het ons de mensheid en deze aarde
toe dus kom maar op rups verdwijn in je cocon en kom terug
als bladmuziek dat bergen waait

DAG 2 - Dinsdag 10 maart

Gisteren was het laat, vandaag was het traag. Gelukkig had ik maar één missie en niet zo’n heel zware: naar bomen luisteren. Wat had ik het mis! Dat is lastiger dan je zou denken; heeft me mooi mijn onderrug gekost. Ik heb bij een boom 29 intieme seconden gedacht dat ik zijn sappen hoorde stromen, maar het bleek mijn oor te zijn dat, als een mislukte slak met mijn hoofd als huis aan de verregende boom probeerde vacuüm te zuigen. Om aan die slak mijn hoofd niet te verliezen, moest ik me in zulk een vreemde bocht buigen dat ’t in mijn linker onderrug schoot. En ergens ook weer niet.

Feit # 127: slakken kunnen geen bomen beklimmen.

 Eerder vandaag heb ik al mijn schrijfsels van gisteravond gedigitaliseerd en van de geluidsopnamen op mijn telefoon een transcriptie gemaakt. Vijf pagina’s volgeluld. Geen gedachte, behalve die ik over het meer heen had toen ik rond een uur of elf ’s avonds het natuurpark in was gedoken, is me ontglipt – een gans die gakkend aftreedt, nadat hij midden in de nacht zijn huis uit wordt gekickt. Ik schrijf omdat ik vergeet; en de ergste dingen om te vergeten zijn de dingen die je niet zomaar in onze directe omgeving terugziet. Stel je voor dat je geen idee had hoe (Een) God eruitzag. Zijn wij überhaupt in staat om in een abstract fenomeen, zoals liefde, te geloven? Geluid is golven, maar de beweging in dingen die door geluid tot stand wordt gebracht trillingen. Op z’n best halen wij uit de boom een enkele traan.

Feit # 11: feiten bestaan alleen voor mensen.

DAG 1 - Maandag 9 maart 

De werkelijkheid is dichterbij dan je denkt; en als je zoekt, dan vind je die niet. Het is een beetje als met stilte: wanneer je heel goed luistert, hoor je altijd wel iets. Daar hoef je in deze pipowagen niet veel voor te doen. Ik weet niet of het auto’s van de snelweg zijn, of die van de laatste maandagwerkers die daar net vanaf komen rollen. Er is hier alleen maar snelweg – toch geen snelweg in de buurt. En bomen, maar die hoor je niet. Ik zal aan het eind van dit bericht willen rapporteren wanneer het geautomatiseerde ouwe daas-gezoem stopt; wanneer ’t Gooi in slaap is gesukkeld en ik ‘t als nachtbraakvlinder overleefde. Misschien dat ik dan eens aan mijn abominabele plannen kan beginnen om de menselijkheid en al haar overtuigingen het bij het rechte eind te hebben in woorden te vangen. Zijn wij als mens niet het wijst als we slapen: tevreden en zacht onze ogen toegedekt, knorrend in een niet te ontcijferen taal? Ik klink veel te nuchter, bedacht. Wanneer zal in deze vollemaansweek mijn meest onsamenhangende, donkere zelf naar voren treden? Of nou ja, mijn donkerste vingertoppen; de flanken van mijn rechterduim en -wijsvinger waar mijn pen op rust. Vooralsnog haal ik alleen inspiratie uit de paranoïde angst om door mediadieven te worden meegesleurd als bedrijfsongeval – een oppervlakkige herinnering aan mijn wens (blijkbaar) om in leven te blijven. (Wat zou het me anders kunnen schelen?) Morgen zal ik naar de stilte van de bomen willen luisteren, vind ik mijn gelijk in het stromen van de sappen en schrijf het van me af in blog DAG 2.

 

schrijf in grote zwarte letters wat mij doet

beven op grote witte vellen

verdom mijn verstrooidheid een knuffel

geen plakband te hebben gepakt, ga liggen

tussen grote witte vellen –

kus denkbeeldig mijn zoon het voorhoofd nat

 


 

‘Eerste avondmaaltijd en notities in de pipowagen.’