Even voorstellen
Sara schrijft verhalen om te lezen, te zien of om naar te luistern. Moderne mythes waarin een duivels dilemma centraal staat. Ritmisch, beeldend, zintuiglijk. Vaak zijn het verhalen waarin mensen discussiëren, liefhebben en geloven tegen beter weten in. Af en toe wordt er heel symbolisch een biggetje in geslacht. Ze studeerde in 2012 af aan de (drama)schrijfopleiding van de HKU en filosofeerde daarna verder aan de UvT. Genomineerd voor o.a. de Dioraphte Cementprijs, de VPRO Bagagedrager, de Lowlands Schrijfwedstrijd en won de Boekenweek Schrijfwedstrijd. Als prijs mocht ze mee op reis naar IJsland waardoor ze nu weet hoe een smeltende gletsjer klinkt. Theater schrijft Sara onder andere voor Kameroperahuis en Theater Bellevue. Verder treedt ze veelvuldig op met korte verhalen op diverse literaire podia en festivals zoals Lowlands, Mensen Zeggen Dingen en de Parade. Religie en de tol van idealen zijn belangrijke thema’s in haar werk.

Sara is het gelukkigst op een kinderboerderij terwijl ze voorgelezen wordt, een geitje aait en chocoladepepernoten eet.

Atelierplan
Een plan, een missie, een opdracht. Elke dag, elke tekst, opnieuw. De wereld redden. Geld verdienen. Ontroeren, verwarren, verwonderen. Het plan is om niet vergeten te worden. Blijven creëren, willen worden gezien. Maar niet te lang, niet te veel, niet zo dwars door me heen. Zo weinig dagen om verhalen te vertellen die ik de moeite van het vertellen waard vind. De deadlines, de kaders, de tot een compromis gehakte woorden van wat een zin had kunnen zijn. Deze week is er geen plan. Geen regisseur, geen redacteur. Een mens, een hond, een woonwagen. En de wens weer iets terug te vinden van het plezier in het plaatsen van letters op papier.

Dag 1 – maandag 28 oktober


Ik ben een thigmofiel. Daar schaam ik me verder niet voor. In tegenstelling tot de claustrofoob, die doodsbang is voor kleine ruimtes en een ontoegankelijke uitgang, floreer ik in piepkleine plekjes. Een tent, een nest, een hut, een hol, een grot, een bedstee, een woonwagen: ik ben er in mijn element. Zo lekker veilig, zo lekker overzichtelijk, zo lekker gebakend en geborgen. Toen ik klein was kon ik langere tijd niet slapen, omdat ik doodsbang was voor iets waarvan ik de naam vergeten ben. Uiteindelijk propte ik een kampeermatje onder mijn bureau, hing een laken over het tafelblad, en sliep als een roosje in mijn zelfgebouwde nest. Niet voor een nacht, maar wekenlang. En nog steeds, als ik me echt angstig of onveilig voel en mijn vriend vraagt wat er scheelt, dan zeg ik: ‘ik wil gewoon zo graag even in je borstzakje.’ 

Kortom: de woonwagen en ik mogen elkaar nu al. Alles is hier klein en lief en veilig. En toch voel ik me vrijer dan de afgelopen maanden. Ik hoef deze week namelijk niks. Ik mag schrijven wat ik wil. Er is geen plan. Vandaag schreef ik een tekst waarvan niemand weet of het theater, proza of poëzie is, en dat doet er ook niet toe. Ik schreef het omdat ik het wilde schrijven. En het ontroerde me hoe lang dat geleden was. En hoe fijn het is om aan niemands verwachtingen te hoeven voldoen.

Mijn harige woonwagengenoot Josje, in onze bedstee:

Dag 2 – dinsdag 29 oktober
Mijn pyjama is grijs, de papegaaien erop zijn roze met geel. Mijn kaplaarzen hebben vele kleuren met cartoonfragmenten. Ik draag m’n zwarte leren jack, een rugtas met toiletspullen en in mijn hand een handdoek. Zo loop ik door het gebouw van Avrotros. Langs de receptie, rechtsaf bij het logo op de vloer, iemand houdt een deur open, de gang door. Door het raam zie ik mijn hond bij de woonwagen staan, haar blik gericht op de deur van het gebouw waardoor ik verdwenen ben. Ik ga de trap af, groet een schoonmaker. Ze kijkt me ietwat meewarig aan. Kennelijk de enige die aanstoot neemt aan papegaaien en kaplaarzen, of de enige die me echt ziet deze ochtend. Rechtsaf, de deur door met daarop een afbeelding van een vrouw met als hoofd een tv-scherm. In de douche hangen twee puffs, een roze en een paarse. In het mandje staan verschillende doucheproducten van de Hema. Ik kies de gouden met het opschrift ‘today I feel marvelous, dancing all night with a golden glow.’ En dan is de dag nog maar net begonnen.


Dag twee en nu al een existentiële crisis. Hoe kan het dat het schrijven me het afgelopen jaar zo tegen is gaan staan en dat ik deze twee dagen duizenden woorden tik met een glimlach? Hoe kan het dat ik thuis jankend en kotsend tot diep in de nacht naar een leeg beeldscherm tuur en met knikkende knietjes opdrachtgevers moet mailen dat het me niet gelukt is, dat ik uitstel nodig heb (een uur, een dag, een week, iets)? Waarom staat het me niet tegen dat de verhalen die ik vandaag geschreven heb alleen maar ‘mooi’ en ‘leuk’ zijn, ‘grappig’ wellicht, maar geen enkel doel dienen? Ik ben toch de schrijver met een Plan, met een Moraal, met een Missie om verhalen te schrijven die Ergens Over Gaan?

Misschien is het de compactheid van de woning. Er is hier geen trap die ik nog moet verven, geen ramen die ik moet lappen. Misschien het gebrek aan sociale afspraken. Ik zit immers hier, te zitten en te schrijven. Misschien is het de structuur die een buurgebouw als Avrotros met zich meebrengt. Twee vriendelijke dames achter de receptie die me goedemorgen wensen, de wakker-worden-rij bij de koffie, het gezamenlijke lunchen in de kantine waar werkelijk alles te verkrijgen, het muntje dat ik krijg voor een stoelmassage van 10 minuten? Of is het de natuur, waar ik inloop zodra ik de deur van deze wagen opengooi?

 

Vanmiddag maakte ik een lange wandeling met Jos en het was zo mooi. Natuur, hertjes, verhalen in m’n hoofd. En ik moest heel veel zuchten, op een fijne manier. En toen dacht ik: wat maak ik me toch vaak druk. En wat heb ik eigenlijk weinig nodig. Een hond, een bos, tijd om te kijken en te denken. What a marvelous day.

Dag 3 – woensdag 30 oktober


Met de fiets aan m’n hand sta ik naast een rotonde een beetje om me heen te kijken, bepalend welke kant ik op ga. In de verte fietst een jongen. Krullen, gele jas. Hij komt dichterbij en we kijken elkaar aan. Een glimlach. Hij fietst langs en ik kijk weer de richting op waar hij vandaan kwam. Misschien wil ik die kant op. Ik denk erover.  ‘Mag ik je nummer?’ Hij staat achter me. Teruggefietst kennelijk. ‘Waarom?’ vraag ik, bleu als ik blijkbaar nog steeds ben met m’n 32 jaar. Hij lacht. ‘Om wat af te spreken, lijkt me leuk.’ Ik kijk hem lang aan. Een vriendelijk gezicht, mooie krullen.
 ‘Nee.’
 ‘Oh.’
 ‘Ja.’
Hij knikt en zegt: ‘dit is een heel raar gesprek.’ ‘Ja, ik ben heel ingemakkelijk.’ Kennelijk mijn nieuwe woord als m’n hersenen geen keuze kunnen maken tussen ongemakkelijk en ingewikkeld. ‘En je hebt vast een vriend.’ Ik knik. Dat had ik ook meteen kunnen zeggen, hersens. ‘Hij boft. Nou, dan ga ik maar.’ Hij keert z’n fiets, steekt z’n hand op. ‘Wel thuis!’ roep ik. Opnieuw die lach. ‘Ik ga naar m’n werk, maar dankjewel.’ Wat weet ik toch ook verdomde weinig van de wereld. Hij fietst weg, en ik voel me alsof ik van alles heb fout gedaan, terwijl ik alleen maar even stil stond naast een rotonde. 

‘Het gaat Heel Goed. Ik heb Heel Veel Geschreven. Enorm Gelukkig ook.’ En maar lachen. ‘Ja, heel fijn hier. Zo fijn!’ Grapje ertussendoor. ‘En zo mooi wandelen hier, ja voor de hond is het ook heer-lijk.’ Niet ondankbaar zijn. ‘Koud? Nee joh, kacheltje aan, extra dekentje. Prrrrrima.’ Altijd dankjewel zeggen. ‘Bedankt he, voor de kans, voor de koffie, voor het interview, voor de fiets, voor de chips. DANKJEWEL!’

 Ik houd niet van nieuwe plekken en ik houd niet van nieuwe mensen. Ik vind het intimiderend als iemand de woonwagen binnenstapt, gewoon om even een praatje te maken. Alsof iemand plots in je slaapkamer staat. Het is zo moeilijk oprecht te zijn. ‘Mag ik even binnenkomen?’ ‘NEE’. Heel moeilijk om oprecht te zijn. Dat het vandaag wat minder ging. Dat ik, ruim een uur voor de uitzending, al buikpijn kreeg omdat ik bang ben dat ik het niet goed doe. En dat dan op Het Moment van De Opname m’n hond de presentator bespringt, heen en weer holt, en net als ik iets wil voorlezen plots Heel Hard slobbert uit haar waterbak. Ze zullen wel denken. Wat een hond, wat een vrouw, wat een waardeloze schrijver. ‘En wat is je plan voor morgen?’ ‘Ik weet het niet, echt niet. MAAR DAT VIND IK HEUS HEEL FIJN. DANKJEWEL.’ Zo ingemakkelijk.

Dag 4 - donderdag 31 oktober
De rondleiding begint al buiten. ‘Hier issie dan’ roep ik net wat harder dan nodig, terwijl ik grootse gebaren maak met mijn handen. Voor ons staat de groen/witte wagen, beschilderd met enkele aapjes. Eromheen groeien uitbundige paddenstoelen en mijn hond Jos heeft haar lijn zo om de trap naar de ingang gespannen dat het een uitdaging is om met hele benen boven te komen. ‘Goeie god, het is nog erger dan ik dacht’ zegt hij na een blik naar binnen te hebben geworpen. Ik maak een geluidje dat verwant is aan ‘tut tut tut’ en duw hem de drempel over. ‘Aan de rechterzijde ziet u mijn schrijfkamer, met uitzicht op vijver. Aan de linkerzijde de bank met De Drie Kussens, probeer ze gerust allemaal uit. Hier achterin treft u de bedstee, achter deze deur de badkamer en aan de rechterzijde de keuken, compleet met koelkast en tweepits elektrisch kooktoestel.’ Hij gaat zitten op een van De Drie Kussens, de middelste met het plantmotief. ‘Ik kan hier theezetten. Koffie moeten we even binnen halen.’ Hij staat weer op. ‘Koffie!’

De bank met De Drie Kussens.


Jos probeert één van De Drie Kussens uit.

Twee van De Drie kussens zijn beter dan één van De Drie Kussens.

Zoals zo dikwijls is het laatste kussen van De Drie Kussens het beste kussen.

Vandaag kreeg ik een beetje heimwee. Niet naar huis, maar alvast naar hier. Dus dat ik weer naar huis ga, morgen, en dat ik dan straks weer allemaal dingen moet. Het Stuk afschrijven waar ik alle motivatie voor verloren ben, afwassen, kleren wassen, stofzuigen, dweilen, de ene fiets naar de fietsenmaker brengen, iets verzinnen voor Jos want het mandje van de andere fiets is echt te klein, de trap schuren en verven want ik woon hier nu bijna twee jaar, een schilderij uitzoeken voor boven de bank WANT IK WOON HIER NU BIJNA TWEE JAAR, facturen sturen, boodschappen doen, koken, commando ‘sta’ oefenen met Jos voor de hondentraining want ze gaat steeds na een paar seconde zitten, naar de film, naar het theater, naar de opera, naar het museum, Lucas laten weten dat ik hem echt ook mis, reis plannen om Lucas te bezoeken, dat ene boek lezen en ook dat andere, bij m’n ouders langs, bij vrienden langs, terugmailen, terug appen, teug bellen, schrijven, niet vergeten op tijd naar bed te gaan, niet vergeten te eten, gezond te eten, op tijd op te staan, niet vergeten om plezier te hebben in alles wat ik doe.

Morgen is mijn werkweek af. Dan kom ik op de radio. Dan moet ik vertellen dat het zin heeft gehad, deze week. En iets delen. Iets delen dat ik gemaakt, geschreven, bedacht heb. Mijn Magnum Opus. Of misschien gewoon De Mooiste Zin die ik deze week schreef. Of Het Moment Dat Ik Alles Eindelijk Weer Een Beetje Leuk Vond. Mijn mooiste werk, mijn mooiste week. We zullen zien.

Dag 5 - vrijdag 1 november


Het enige dat deze week nog ontbrak was de regen, zachtjes tikkend op het dak. Vandaag, mijn laatste dag, dan toch nog. Ik kijk naar de kuiltjes van de druppels die in de vijver vallen. Er loopt niemand buiten, er klopt niemand op mijn wagen. Iedereen is ergens en ik ben hier. Bij mijn voeten ligt m’n hondje, opgerold als een warme croissant, in de bedstee. ’s Nachts slaapt ze op haar kleedje op de grond, maar elke ochtend til ik haar er even in, zodat we samen naar buiten kunnen kijken als ik theedrink en wakker word.

Gisteravond wenste ik de beveiliger eet smakelijk en een fijne avond, waarop hij reageerde met ‘dank je en tot straks!’ Hij wist al van mijn avondwandeling voor het slapengaan en dat Josje met haar lichtgevende halsband uit een struik zou springen om hem te begroeten bij zijn controle van het terrein. Vijf dagen hier en nu al rituelen.

Het is onvermijdelijk om te beginnen met terugblikken. Ook omdat ik vanavond in de uitzending van Opium verwacht word, om een conclusie te geven van deze dagen, en iets van mijn werk te laten horen. Terwijl deze week nu eindelijk eens in teken stond van het proces, in plaats van het eindproduct. Maar hoe presenteer je een proces? En hoe presenteer ik mezelf? Ik twijfel of ik vandaag m’n trukendoos opentrek en een poëtische, zintuiglijke, ethisch verantwoorde, levensbeschouwelijke, revolutie ontketenende tekst zal schrijven. Vol ontroering en met een grapje, net als je het niet verwacht. Of dat ik iets minder vorm wil en iets meer eerlijkheid, zoals in deze blogs. Het ploeteren, het kwetsbare. Mijn stiefzusje appte me ‘ontroerend hoe dicht je bij jezelf staat. Geniet ervan!’ Misschien schuilt daarin de kern van deze week, en van mijn (schrijf)proces. 

Deze week werd ik te pas en te onpas ‘de kunstenaar’ genoemd. Een titel die ik mezelf zelden geef. Ik schrijf, ik maak theater, ik lees voor, ik pieker veel maar ben dat nadenken gaan noemen. ‘Kunstenaar’ klinkt in mijn oren altijd een beetje aanstellerig. ‘Ik maak kunst’ alsof het even vanzelfsprekend is als een ademhaling. DAT ZULLEN WE NOG WELEENS ZIEN. Deze week heeft me geconfronteerd met een manier waarop ik zou willen schrijven, kunst zou willen maken, maar die in De Echte Wereld moeilijk houdbaar is. Wil ik geld blijven verdienen met schrijven, dan betekent dat dat er opdrachtgevers zullen zijn met inspraak in de inhoud van mijn verhaal. Er zullen deadlines zijn, er zullen afspraken zijn met mensen die ik niet begrijp. Het zal me pijn doen te schrijven wat ik niet had willen schrijven en pijn doen om niet te mogen schrijven wat ik wel had willen schrijven. Dat voelt als verloochening van ‘dichtbij mezelf staan’ en van ‘genieten.’ Dat maakt me sip.

Toch is de grote ontdekking deze week dat ik schrijven nog wel degelijk leuk vind. Leuk? Geweldig. Belangrijk. Zingevend. De enige manier waarop ik open om me heen kan kijken, prikkels kan incasseren en verwerken, waarop ik een klein beetje inzicht krijg in De Dingen. Ik hou van observeren, van schrijven, van creëren. Ik kan niets anders. En er is zo weinig voor nodig: een mens, een hond, een woonwagen. Help me dat onthouden.