Eerste bedrijf
We zijn in een woud bij Skanderborg. Het meisje Aase, de dochter van een kolenbrander, zingt een liedje voor haar hut. Ze wordt lastig gevallen door Rane, een hoveling van koning Erik, die zich voordoet als een eenvoudige jongen en die de gunsten van het meisje hoopt te winnen. Tevergeefs. Rane is deel van een koninklijke jachtpartij en jawel, daar is plotseling koning Erik zelf. De koning heeft een tijdje staan luisteren: hij bewondert de deugd van het meisje Aase. Rane wordt weggestuurd; uiteraard is hij kwaad en voelt hij zich vernederd. De koning verleidt Aase: hij gaat eerst na of ze niet stiekem verliefd is op Rane en belooft daarna goud en mooie kleding. Als de jonge mensen uit de omgeving Aase komen halen voor een dansfeest ter ere van de koning, is ze er al vandoor met diezelfde koning. In de volgende scène zijn we op het kasteel van koning Erik. De edellieden dansen. Aase, in fraaie kleding en met een gouden ketting om haar hals, schenkt wijn. Ze is verliefd op de koning. De maarschalk, Stig Andersen, meldt zich: hij is met zijn leger op weg naar Zweden, om oorlog te voeren. Hij vraagt koning Erik om een gunst: zijn geliefde echtgenote Ingeborg moet een veilige standplaats hebben. De koning, die meteen verliefd wordt op de kuise en vrome Ingeborg, belooft dat hij haar in veiligheid aan zijn hof zal laten wonen. De maarschalk en Ingeborg nemen innig afscheid. De maarschalk trekt ten strijde. De koning laat er geen gras over groeien: hij begint Ingeborg te verleiden. Ingeborg ziet zijn vurige blik, maar gelooft veilig te zijn bij de koning. Rane zingt een lied op het feest. Hij probeert andermaal Aase te verleiden. Terwijl een vuurwerk losbarst, besluit Aase het hof te verlaten. Ze verbreekt haar gouden ketting, legt die bij de drinkbeker van de koning en verdwijnt.

Tweede bedrijf
In het kasteel van de maarschalk wacht Ingeborg op de terugkeer van haar echtgenoot. Ze is haar echtgenoot ontrouw geweest met de koning en vreest voor hun ontmoeting. Het valt de terugkerende maarschalk op dat zijn echtgenote zo stil is. In bedekte termen laat ze hem weten dat zij haar eer verloren heeft en hij met haar. Ze houdt echter niet van de koning: koning Erik had haar wijs gemaakt dat haar echtgenoot, de maarschalk, gevallen was in de strijd. De maarschalk zweert wraak. Bij de volksraad in Viborg verzamelt het volk zich. Graaf Jakob Nielsen van Halland (in het huidige Zweden) en aartsbisschop Jens Grand en hun gevolg maken hun opwachting. Ze bespreken het geval van de koning en de maarschalk en zijn vrouw. Jens Grand verwacht dat de kerk de koning in de ban zal doen. Beiden begroeten de koning op spottende wijze. De koning vreest voor de reactie van de maarschalk, die verslag komt doen van de strijd tegen de Zweden. De maarschalk roept de koning ter verantwoording: Erik heeft zijn vrouw onteerd. Erik beweert echter dat Ingeborg gewillig was. Een heraut roept om de dood van de maarschalk, maar graaf Jakob beschermt hem. De maarschalk dreigt nu: zodra hij de koning ergens alleen zal treffen, zal hij hem doden. De volgelingen van de koning twisten met de volgelingen van de maarschalk.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Derde bedrijf
We zijn in een sombere hal in het kasteel van de maarschalk. De maarschalk en de hoveling Rane bereiden een aanslag voor op de koning. Een hele groep samenzweerders, onder wie Jens Grand, graaf Jakob van Halland en Arved Bengtsen komt bij elkaar, verenigd in zijn haat jegens koning Erik Glipping: alles wat hij de diverse samenzweerders heeft aangedaan, wordt opgesomd, maar voor de maarschalk overtreft niets de ontering van zijn vrouw. Ingeborg zelf komt de samenzweerders aanvuren; koning Erik moet sterven. Hoewel ze zelf het voorgevoel heeft snel te zullen sterven, op de naamdag van sint Cecilia, praat ze haar echtgenoot moed in. In Viborg bereiden koning Erik en Rane zich voor op een jachtpartij. De koning is niet in zijn gebruikelijke zelfverzekerde stemming: hij heeft het gevoel dat hij te ver gegaan is. Hij is het plezier maken moe. Hij droomde die nacht van Ingeborg en heeft een angstig voorgevoel. Toch weet Rane hem op te porren voor een jachtpartij.

Vierde bedrijf
De samenzweerders, allen verkleed als monniken, komen bij elkaar in het woud. De maarschalk maakt zich zorgen om zijn vrouw Ingeborg. De samenzweerders rijden verder en verlaten de val die Rane voor de koning heeft opgezet. Rane en de koning arriveren op de plek: het is een boerderij waar de koning de nacht zou willen doorbrengen. In de boerderij woont Aase nu: ze draagt zorg voor het nabijgelegen klooster en mag in ruil daarvoor in de boerderij wonen. Ze wil het klooster gaan waarschuwen voor de bewapende monniken die ze voorbij zag rijden. Ze bidt tot Maria en wil dan naar het klooster, maar koning Erik komt binnen en begint haar direct te imponeren en versieren; hij herkent op zeker moment Aase. Die bedreigt hem met een bijl. Ze waarschuwt de koning voor de bewapende monniken en vlucht. Erik achtervolgt haar. Hij laat zijn zwaard in de boerderij liggen. Rane neemt hem mee richting Finderup. Dezelfde kant op als de gewapende monniken, merkt Aase op. In een schuur bij Finderup probeert koning Erik in slaap te komen, maar hij is te onrustig. Hij droomde dat de stervende Ingeborg hem zou komen halen op sint Cecilia’s naamdag om hem de hel in te slepen. De geest van Ingeborg roept hem. Donder en bliksem zijn losgebroken. Rane geeft cynische antwoorden op het verzoek van koning Erik om hem te beschermen. De maarschalk komt de schuur binnen en doorsteekt de koning. Die voorspelt stervend dat de maarschalk voor altijd rusteloos en opgejaagd zal moeten zwerven. De samenzweerders maken zich uit de voeten. Het volk en de koningsgezinden komen binnen. Aase brengt het zwaard van koning Erik, maar het is te laat. Terwijl monniken de eeuwige rust afsmeken, roept het volk dat het land in diepe droefenis verzonken is.

Foto's: Miklos Szabo