Mozart en de vrijmetselarij (1784-1791)

Een Tempel der Wijsheid, inwijdingsrituelen, de overwinning van het Licht... Die Zauberflöte van Wolfgang Amadeus Mozart is niet zomaar een sprookje over een toverfluit en een grappige vogelvanger. De opera zit vol verwijzingen naar rituelen en symboliek uit de vrijmetselarij - want daar was Mozart maar al te bekend mee.

Die Zauberflöte herbergt een tegenstelling die in wezen ook tekenend was voor Mozart als persoon. Aan de ene kant maakte de componist allerlei grappen - van muzikale gein met opzettelijk fout gecomponeerde noten, tot platte woordgrappen. Maar Mozart had ook zijn serieuze kanten. Zo was hij was een gelovig man en dacht hij diep na over leven en dood. Een aantal jaar voor het einde van zijn leven gaf Mozart op een speciale manier uiting aan die serieuze kant: op zijn 28ste trad hij toe tot de vrijmetselarij, op uitnodiging van vrijmetselaar Otto van Gemmingen.

Wat is vrijmetselarij?

De vrijmetselarij is een genootschap dat al sinds de middeleeuwen bestaat. Iedere vrijmetselaar streeft ernaar om een beter mens te worden, en daarmee ook de samenleving te verbeteren. Allerlei rituelen en symbolen staan voor deze persoonlijke ontwikkeling van 'het duister naar het Licht', waarbij een vrijmetselaar zich ontwikkelt van leerling tot gezel en uiteindelijk meester. Vrijmetselaars komen samen in een zogeheten loge. De loge waartoe Mozart als eerste toetrad, droeg de naam 'Zur Wohltätigkeit', oftewel 'Voor liefdadigheid.' Later werd hij verheven tot gezel en meester in de loge 'Zur wahren Eintracht'.

Zo zag een vrijmetselaarsloge eruit in de tijd van Mozart.

Vrijmetselarij in de tijd van Mozart

Vrijmetselarij beleefde een hoogtepunt in de tijd van Mozart. Door het geestelijke klimaat van de Verlichting in Oostenrijk nam de belangstelling voor de vrijmetselarij toe. Paus Clemens XII had het in 1738 verboden om lid te worden van het genootschap, maar dit werd in Oostenrijk niet gehandhaafd. Pas aan het einde van de achttiende eeuw werd de vrijmetselarij ook in dit land aan banden gelegd, maar toen was Mozart al overleden.

Hoewel de paus het had verboden, zag Mozart waarschijnlijk geen bezwaren om als toegewijd katholiek ook overtuigd vrijmetselaar te kunnen zijn. De kerkelijke hervormingen in zijn tijd droegen namelijk het stempel van de Verlichting. Daarnaast had Mozarts loge een rationalistische strekking, waarbij geloofszaken niet centraal stonden. Er was juist ruimte voor verschillende opvattingen en persoonlijke vrijheid, wat kenmerkend is voor de vrijmetselarij.

In 1770 ontving Mozart van paus Clemens XIV (niet de paus die vrijmetselarij verbood) de Orde van de Gulden Spoor, een pauselijke ridderorde. Dit kreeg hij voor zijn religieuze muziekstukken. De Orde werd overigens vaak verleend, maar Mozart was er trots op.

Veel van Mozarts vrienden werden ook vrijmetselaar, zoals Joseph Haydn. Ook Mozarts vader Leopold en de librettist voor Die Zauberflöte, Emanuel Schikaneder, traden toe tot het genootschap.

Mozart poseert met de Orde van de Gulden Spoor.
Mozart poseert met de Orde van de Gulden Spoor.

Vrijmetselarij in Mozarts muziek

Mozart componeerde ook muziek voor vrijmetselaarsbijeenkomsten, zoals het stuk Maurerische Trauermusik. Dit werd uitgevoerd in de loge 'Zur gekrönten Hoffnung' ter nagedachtenis aan twee overleden vrijmetselaars. Ook componeerde hij een cantate voor orkest en mannenstemmen (want alleen mannen mochten toetreden tot de vrijmetselaars), Eine kleine Freimaurer-Kantate. En het terugkerende groepje van drie akkoorden in de ouverture van Die Zauberflöte verwijzen naar het vrijmetselaarsritueel van drie kloppen op de deur van de tempel.

Lees verder: Mozart aan het einde van zijn leven