Wouter Klein Velderman - Dag 4

Wouter Klein Velderman - Dag 4

Met één ferme sprong plonste ik vanochtend de torenkamer binnen. Hup, zo met mijn beide natte motorlaarzen in de bont gekleurde kolkende massa PVC doek. Twee rooie stoeltjes dreven mij tegemoed. Ik draaide er één een kwartslag, zodat ze elkaar recht in de ogen keken. Mijn eerste gast van vandaag kon zich ieder moment melden.

 

We spraken over grote belangrijke Nederlandse firma’s met immens monumentale begrotingen. Over de mogelijkheid om de kunstenaar, zeg maar net als vroeger weer een plekje te geven binnen dit financiële landschap. Hoe er voortaan weer gelden zouden kunnen vloeien. Hoe beekjes en rivieren, vanuit de hoge bergen waar de firma’s staan, zo naar de groene weiden van de kunstenaar zouden kunnen stromen. Niet door de verkoop van kunstwerken, want die stroompjes staan droog, maar op een hele mooie nieuwe manier. Mijn eerste gast kan mooi denken. Fijn om zo de dag te beginnen.

 

Voor mijn tweede gast blijft kunst altijd een raadsel, en daar schrijft hij mooie lange stukken over. Hij had al vaker gehoord van de torenkamer, maar was er nog nooit binnen geweest.

Plons, plons. Vijf PVC-vogeltjes krulden wat onhandig van de muur en keken ons met één oog wat angstig aan. Hier en daar dreef nog een geknipt veertje, een snaveltje of een pootje. Ik keek om me heen en vroeg me af of wat hier gebeurde wel raadselachtig genoeg was.

 

We raakten aan de praat. Eerst over de toren zelf. De toren die eigenlijk deel van het werk was geworden. ‘Waarom dan?’ vroeg mijn gast terecht. ‘Ik heb haar gevuld met mijn materiaal, het is nu een installatie.’ Antwoordde ik. ‘We zitten op een golf van restmateriaal, terwijl we betekenis maken met de zorgvuldig gekozen woorden die we gebruiken in ons gesprek.’ ‘Ah, ja.’ Zei hij. ‘En aan de wanden hangen rotsen. Grote ruimtelijke kleurvlakken, van PVC, dat zijn sculpturen. En in de ruimte zitten wij dus, en we praten over de vogels. De platte vogels die niet alleen door mij gemaakt zijn, maar ook door mijn gasten. Wil je misschien een vogel knippen?’ ‘Nee.’ Zei hij. ‘Mijn collega’s van de Avrotros zijn ook deel van het werk.’ Vervolgde ik. ‘Ze komen af en toe kijken. Soms ook als ik slaap.’ Hij keek ernstig en vroeg ‘Neem je dit dan op?’ ‘Nee.’ Antwoordde ik. ‘Ook niet alleen het geluid?’ ‘Nee. Antwoordde ik nogmaals. ‘En je schrijft er elke dag over in een blog die op Radio 4 bij Opium wordt geplaatst? Is dat ook kunst?’ ‘Het maakt deel uit van het werk.’ Zei ik. ‘Mooi.’ Slaakte hij krachtig. ‘En dit gesprek?’ ‘Dat ook.’ ‘Dank je wel, over ongeveer twee weken schrijf ik op mijn website waarom jouw kunst voor altijd een raadsel zal blijven.’ Ik voelde me vereerd.

 

‘s Avonds stonden drie mime-studenten van de academie voor Theater en Dans beneden in de regen op mij te wachten. Bij het verwelkomen liep ik naar buiten en voelde grote natte druppels op mijn kale hoofd vallen. Ik toonde ze de weg naar boven. De studenten gingen mij voor, de Torenkamer binnen: plons, plons, plons, hoorde ik in de verte vanuit het keukentje bij de koffiemachine.

 

Toen ik even later met mijn volle dienblad de ruimte binnen kwam, wist ik niet wat ik zag. Alle vogels konden vliegen. In mooie sierlijke curves, krachtig aangezet door sterke mime bewegingen zwiepten ze door de ruimte.