De Torenkamer - Hannah van Binsbergen - Dag 1

Het is een vreemde ervaring om in een kamertje gestopt te worden om een week lang kunst te maken. Naast de torenkamer is het kantoor van AvroTros radio, daar zijn mensen gewoon aan het werk. Maar ik zit hier de dichter te wezen. STILTE, HIER WORDT KUNST GEMAAKT!Ik vind het een beetje ongemakkelijk om kunst te maken in een ruimte waar mensen aan het werk zijn. Ik heb zo het gevoel dat er een groot aantal illusies bestaat over wat ze het creatieve proces noemen. Dat het gewoon werk is, bijvoorbeeld, of dat het uit een minutieus gecomponeerde malheid bestaat. Die illusies worden natuurlijk zorgvuldig in stand gehouden door kunstenaars. De componist Erik Satie beschreef zijn dagelijkse routine als volgt: "Ik sta op om 7:18, van 10:23 tot 11:47 ben ik geïnspireerd. Om 12:11 gebruik ik het middageten en om 12:14 verlaat ik de tafel. Dan volgt een gezond ritje op mijn paard over mijn landgoed, van 13:19 tot 14:53. Nog een golf inspiratie van 15:12 tot 16:07. Verscheidene bezigheden van 16:27 tot 18:47 (schermen, reflectie, onbeweeglijkheid, visite, handigheid, zwemmen, etc). Het avondeten wordt om 19:16 geserveerd en duurt tot 19:20. Van 20:09 tot 21:59 symfonische lezingen (hardop). Ik ga om 22:37 naar bed. Een keer per week schrik ik wakker om 3:19 (op woensdag)." Van hem is eveneens bekend dat hij slechts wit eten tot zich nam. 


Ik zal u een verslag besparen van het vele gelummel dat mijn schrijfpraktijk omgeeft. Het zou kunnen komen doordat ik eigenlijk een hekel heb aan schrijven. Poëzie, ja, dat is natuurlijk prachtig, maar voordat er iets boven komt drijven wat enig poëtisch potentieel in zich heeft, moet er vooral erg veel geschreven worden. Dat schrijven lijkt in mijn geval een beetje op het baggeren van sloten en grachten, waar ze hier in het Vondelpark ook mee bezig zijn: alle rotzooi die zich de laatste tijd heeft opgehoopt, vrolijke onzin, fatalistische onzin, zelfhaat, herinneringen, feitjes, nieuwsberichten etc. moet allemaal naar de oppervlakte gehesen worden. En natuurlijk laat iemand ook wel eens een trouwring of een met liefde gesmeerde boterham in zo'n vijver vallen, dus af en toe zit er best iets moois tussen. Maar god, wat is dat schrijven toch verschrikkelijk.


De laatste tijd vind ik het steeds moeilijker om een gedicht te schrijven. Hoeveel ik ook lummel en naar het plafond staar, hoeveel bagger ik ook van de bodem schraap, het wil maar niet echt goed worden. In de afgelopen drie maanden heb ik maar één leuke zin geschreven, over Tristan Tzara die muzikale soirées hield vanuit een stuk barnsteen. Mensen vragen wel eens of je ongelukkig moet zijn om te dichten. Ik vrees dat die vraag voortkomt uit een combinatie van het cliché van de dolende dichter en mijn eigen lijkbleke verschijning. Maar ik denk dat het voor je gedichten uiteindelijk niet uitmaakt of je gelukkig bent of niet. Poëzie is afhankelijk van een specifieke concentratie, een toestand waarin je ontvankelijk bent voor goede zinnen. Vele dichters hebben vele methoden gevonden om die toestand te bereiken. Rimbaud vond hem bijvoorbeeld door zichzelf permanent in een beschonken toestand te houden. Hard werk. Anderen gebruiken zelfopgewekte hallucinatie, drugs, meditatie maar ook strenge vormrestricties, zoals het tellen van lettergrepen of het gebruik van de a als enige klinker.


Een dichter die heel precies zijn methode beschreef om poëzie tot stand te laten komen, is de Amerikaan CA Conrad. In zijn boek Ecodeviance: (soma)tics for the future wilderness geeft CA voorafgaand aan de gedichten een beschrijving van het proces waaruit ze zijn voortgekomen. Dit is niet een creatief proces zoals bij mij (ijsberen, sigaretjes roken, fronsen) maar een gecontroleerd ritueel, een soort experiment, waarbij notities genomen worden die vervolgens de basis van het gedicht vormen. Dit zijn vaak heel lichamelijke praktijken: een ervan ontstond doordat CA op een lange vlucht 8 uur lang de arm van zijn slapende medepassagier tegen zich aangedrukt kreeg. Een ander ritueel komt voort uit herinnering en emotie: CA beschrijft hoe hij van de sneeuw die viel in zijn thuisstad Philadelphia twee kleine sneeuwmannetjes maakte, die hemzelf en zijn geliefde Tommy voorstelden, die gestorven is aan AIDS. Hij bewaarde de mannetjes in de vriezer en bezocht plekken waar hij met Tommy was geweest en schreef daar brieven aan hem, die hij later voorlas aan de sneeuwpopjes. Ik ben gek op CA's werk, omdat hij met dit soort praktijken laat zien dat poëzie of creativiteit altijd deel is van het leven, en dat het je kan helpen om weer heel te worden na een vreselijk verlies, of gewoon om niet kapot te gaan in een onherbergzame wereld. 


Terug naar de torenkamer. De meeste kantoormensen zijn inmiddels naar huis. Vanmiddag, na een beetje te hebben gelezen in Ecodeviance en wat notities te hebben gemaakt van de strekking 'wat doe ik hier' schreef ik de zin op: DE OCHTEND IS DE NACHT VAN DE ZIEL. Deze zin, die een specifieke significantie heeft voor mij (waarover morgen meer) wordt het uitgangspunt van het project van de komende week, en waarschijnlijk ook de titel van het gedicht dat ik ga schrijven. Ik ga mijn natuurlijke neiging tot uitslapen zoveel mogelijk proberen in te tomen, door de komende vier dagen elke morgen om 6:00 op te staan, en me elke dag te verdiepen in een ander aspect van de ochtend. Vooruit, ter ere van Satie maak ik er 5.58 van. Tot morgen!


het spook van de torenkamer.png