Torenkamer - Jowi Schmitz - Dag 1

Vanmorgen.


Ik had een Frans kaasje uit de koelkast op de studio gehaald, omdat ik er de komende vijf dagen niet ben. Dan neem ik het wel mee naar de boot (ik woon op een boot), dacht ik, ik moet toch nog even langs om dat ik mijn agenda ben vergeten. Dat kaasje ligt nu dus in de smoorhitte tussen een stuk chocola van Chocolonely, een zak appels, rijstcrackers en chips. Welkomstgeschenken van Opium voor de torenkamerbewoonster.

Ik moet zo even de moed gaan opbrengen om het op de redactie in de koelkast te leggen of anders smokkel ik het mee naar buiten als ik een telefoonoplader ga kopen, iets wat ik ook steeds een beetje uitstel. Dit is het wennen.


Daarnet zat ik al wel op het terras beneden omdat ik even was vergeten dat ik op een computer eigenlijk nooit verhalen schrijf. Dit soort stukjes wel, artikelen ook. Maar fictie, dat moet met een pen en een schrift in een openbare ruimte – nog mazzel dat ik dat schrift mee had genomen. Ik zou iemand zijn die op zijn rij-examen van schrik zijn auto vergeet mee te nemen. En dan op een fiets proberen af te rijden.

 

Daarnet de witte multifunctionele tafel verschoven. Mijn gele regenjas hangt nu rechts van me, en dat voelt wel een beetje thuis. Zouden er mensen zijn die plantjes meenemen? Ik wil ook alsmaar het raam openzetten, maar dat kan niet. Heb ik daarvoor mijn haren laten groeien. Een voorzetscherm met kruiskopjes, misschien op mijn lijstje voor morgen; stiekem een schroevendraaier mee – hoeveel mensen hebben die al bedacht?


Maar goed, schrijven dus. Ik ben begonnen aan Erik, een achttienjarige jongen die een einde aan zijn leven gaat maken. Die om de auto van zijn vader pikt. Daarna heb ik een tijdje nagedacht over de ziel van het verhaal. Over wat dat dan is, een verhaal dat de moeite van het vertellen waard is. Ik weet het nog niet zo met Erik. Misschien verrast hij me.


De eerste zin (vandaag dan toch): Het was nacht toen hij begon te rijden.

De laatste (op bladzijde vier): Erik keek in zijn spiegel,gaf wat gas, schakelde soepel naar ‘vooruit’ en ze gleden de snelweg op.

Aantal woorden: 2064