STER Advertentie

Op vrijdag 16 oktober wordt in het Concertgebouw een gedenkteken onthuld waarmee Concertgebouw en Concertgebouworkest gezamenlijk zeventien joodse orkestleden gedenken. Zij werden in de Tweede Wereldoorlog ontslagen, drie van hen overleefden de Holocaust niet.

Simon Reinink, directeur van het Concertgebouw: “Het Concertgebouw was bepaald geen baken van verzet, absoluut niet. Een smet op onze geschiedenis en dat zullen we moeten blijven dragen. Ik hoop dat de plaquette een vorm van eerherstel is. Het is essentieel dat Concertgebouw en Concertgebouworkest hiermee - weliswaar heel erg laat - laten zien: dit had nooit mogen gebeuren. En wij betreuren dat zeer en we gedenken hen die door deze maatregelen werden getroffen op een heel prominent punt in het Concertgebouw”.     

Het herinneringsteken voor de joodse musici bevindt zich in het Concertgebouw op de eerste verdieping bij de Grote Zaal – achter het orgel en tegenover de grote portretbuste van Gustav Mahler. Het is ontworpen door Evelyne Merckx en René Knip en gebaseerd op research door Nico Steffen.

De zeventien joodse orkestleden die genoemd staan op het gedenkteken zijn:

Zoltan Szekely (concertmeester), Léon Rudelsheim (1e viool), Joël Hekster (1e viool), Ben Meyer (1e viool), Samuel Tromp (2e viool), Salomon Snijder (2e viool), Louis Pens (2e viool), Simon Fürth (2e viool), Jacques Koen  (2e viool), Siegfried de Boer (2e viool), Jacques Muller (altviool), Samuel Brill (cello, aanvoerder), Samuel Gompertz (contrabass), Louis Salomons (fagot), Joseph Sloghem (trompet), Emanuel Haagman (trombone) en Rosa Spier (harp, aanvoerder).

Bron: Wim Kluvers

In De Ochtend van 4 werd het gedenkteken onthuld:

Gedwongen ontslag en vervolging

Toen het Concertgebouw in april 1941 van de Duitse bezetter de opdracht kreeg alle joodse orkestleden te ontslaan, betrof dat zestien leden: twaalf strijkers, drie blazers en een harpiste. Zij speelden voor het laatst mee tijdens een concert op 8 juni 1941, de Achtste en Negende symfonie van Beethoven, onder leiding van dirigent Eduard van Beinum. Toen later bleek dat de Hongaarse concertmeester Zoltan Szekely ook joods was, werd ook hij ontslagen.

De joodse orkestleden kwamen op voorspraak van bestuursleden van het Concertgebouw terecht in het relatief veilige kamp Barneveld. Toch werd een groot aantal van hen later alsnog gedeporteerd naar onder meer Theresienstadt, Auschwitz en Sobibór. Drie orkestleden kwamen na de oorlog niet terug: contrabassist Samuel Gompertz en altviolist Jacques Muller werden in 1942 vermoord in Auschwitz; in mei 1943 stierf violist Simon Fürth in Sobibór. Na de oorlog hervatten de meesten van de veertien joodse orkestleden hun werk bij het Concertgebouworkest. 

Lees ook: het Nederlandse muziekleven tijdens de Tweede Wereldoorlog

Podcast Flot!

In april 1942 meldde het Concertgebouw alle niet-joodse orkestleden aan bij de Kultuurkamer, een verplichting van de bezetter om te mogen blijven spelen. Componist Marius Flothuis, toenmalig assistent-artistiek leider en getrouwd met een half-joodse vrouw, weigerde zich aan te melden bij de Kultuurkamer en werd ontslagen. Hij ging in het verzet, maar werd verraden. Vervolgens werd hij opgesloten in de kampen Vught en Sachsenhausen. Hij overleefde de oorlog op wonderbaarlijke wijze en keerde kort na de bevrijding verzwakt terug in Amsterdam. In 1953 trad hij opnieuw in dienst en was bijna twintig jaar artistiek leider van het orkest. 

Margriet Vroomans, presentator van De Ochtend van 4, en onderzoeksjournalist Benjamin de Bruijn maakten een vierdelige podcast over het indrukwekkende levensverhaal van Marius Flothuis. De podcast Flot! is onderdeel van het 75 jaar bevrijdingsproject van NPO Radio 4, waarvoor Margriet Vroomans al eerder een audioportret maakte van zeventien vervolgde musici. 

Beluister podcast Flot!