STER Advertentie

Vandaag de dag kunnen alle musici in vrijheid spelen wat zij willen. Dat was echter niet het geval tijdens de Tweede Wereldoorlog. Door de Duitse bezetting veranderde het Nederlandse muziekleven drastisch.

Een gedwongen registratie om je beroep te kunnen blijven uitoefenen, het moeten ondertekenen van een Ariërverklaring en het verbod op het spelen van bepaalde muziek: dit waren slechts enkele gevolgen van de Duitse bezetting op het Nederlandse muziekleven.

Verplicht lidmaatschap Kultuurkamer

Vanaf 1933 moesten Duitse musici, schrijvers, tekenaars, schilders en filmmakers zich inschrijven bij de Reichskulturkammer. Dit instituut werd opgericht door Joseph Goebbels, de rechterhand van Hitler en de Duitse minister van Propaganda. Als je ervoor koos om je niet in te schrijven, mocht je je beroep niet meer uitoefenen. De nazi’s bepaalden vervolgens wat kon worden geschaard onder kunst. Niet-Arische kunst kreeg het label Entartete Kunst.

Na de Duitse bezetting van Nederland werd al snel een Nederlandse afdeling opgezet: de Kultuurkamer. Hierdoor werd een pro-Duitse houding aangenomen binnen de culturele sector. Kunstenaars van Joodse komaf werden geweerd om de kunsten zo 'zuiver' mogelijk te houden. Ook moesten leden een Ariërverklaring ondertekenen, waarmee zij bevestigden dat zij niet van Joodse afkomst waren.

De Kultuurkamer bood gunstige arbeidsvoorwaarden. Het loon van musici steeg aanzienlijk en orkesten ontvingen flinke subsidies. Ook werd niet eerder zoveel nieuwe muziek gecomponeerd als tijdens de oorlogsjaren. In augustus 1944 hadden ruim 40.000 kunstenaars zich ingeschreven.

Arthur Seyss-Inquart, nazikopstuk en Rijkscommissaris van Nederland, hield in maart 1941 een speech in het Concertgebouw.

Verboden muziek

Joodse musici mochten geen lid worden van de Kultuurkamer en werden ontslagen bij orkesten. Ook mochten joden niet meer studeren aan het conservatorium. In 1941 werd daarom het Joodsch Symphonie Orkest opgericht. Dit orkest mocht alleen optreden in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam en enkel voor een joods publiek optreden. In juli 1942 hield het orkest op te bestaan, aangezien er steeds meer leden op transport werden gesteld. Ongeveer de helft van de ruim zeventig leden heeft de oorlog uiteindelijk overleefd.

Orkesten mochten geen muziek meer spelen van Joodse componisten, waaronder Gustav MahlerFelix Mendelssohn-Bartholdy en Arnold Schönberg. Ook de muziek van modernisten, communisten en nationalisten, waaronder Antonín Dvořák, werd gezien als verderfelijk. Eveneens Franse en Russische muziek was uit den boze. Door deze censuur kende het muziekleven in de oorlog maar weinig variatie. Daarnaast ging veel kwaliteit verloren, aangezien veel musici het land verlieten, moesten onderduiken of werden vervolgd. 

Verzet, onderduik en illegale concerten

Er waren musici die weigerden lid te worden van de Kultuurkamer. Vooraanstaande componisten, waaronder Jan van Gilse, Bertus van Lier en Frida Belinfante weigerden zich in te schrijven en werden actief in het verzet.

Zij betaalden allen een hoge prijs voor hun verzet. Ze moesten onderduiken en meerdere keren vluchten. Van Gilse verloor twee zoons en Van Lier zijn zus middels fusillade. Belinfantes broer en schoonzus pleegden zelfmoord om uit handen van de Gestapo te blijven.

Belinfante: "Als je de eerste stap accepteert, omdat het niet zoveel kwaad kan, volgt snel de tweede stap. En de derde. Voor je het weet ben je medeplichtig."

Veel ondergedoken musici gingen het illegale circuit in en speelden stiekem op zogenoemde zwarte avonden. Vaak stelden rijke mensen hun woning beschikbaar voor een huiskamerconcert. Tegen betaling van een paar aardappelen of een zak meel mocht je een verboden concert bijwonen. Aangezien er een avondklok gold in grote delen van land, duurden deze concerten vaak de hele nacht. 

De podcast Muziek tot Leven - Verhalen van musici in de oorlog heeft uitgebreid aandacht voor de aangrijpende verhalen van componisten en musici die werden vervolgd in de Tweede Wereldoorlog. Alle afleveringen kunnen via de podcastplatformen worden beluisterd.

Beluister podcast

Fout in de oorlog?

Vlak na de bevrijding woedde er een een felle discussie binnen het Nederlandse muziekleven. Waren leden van de Kultuurkamer collaborateurs of stelden zij hun inkomen veilig in een onzekere tijd? Bekende namen die zich positief uitten over de Duitse bezetting werden wel veroordeeld en kregen vaak een speelverbod opgelegd. Zo ook Willem Mengelbergchef-dirigent van het Concertgebouworkest. Na de oorlog kreeg hij een levenslang beroepsverbod opgelegd, dat na zijn dood in 1951 wordt opgeheven. Met hulp van de Duitsers verhuisde hij nog voor de bevrijding naar Zwitserland. Nadien heeft Mengelberg nooit meer op de bok gestaan.

Chef-dirigent Willem Mengelberg stond bekend om zijn pro-Duitse houding. 

Er ontstond echter snel een hardnekkige zwijgcultuur. De opvatting dat er niet meer gesproken moest worden over de oorlog was zo sterk dat verhalen over kunstenaars die heulden met de Duitsers in de doofpot werden gestopt en muziek van vervolgde componisten in de vergetelheid raakte. Men wilde eenvoudigweg zo snel mogelijk terugkeren naar de situatie van voor de oorlog.

Vanaf de jaren zestig werd de zwijgcultuur langzaam doorbroken. Er werd meer aandacht besteed aan de verhalen en muziek van vervolgde musici. Zo werden partituren van Joodse slachtoffers, waaronder Leo Smit, Dick Kattenburg en Mischa Hillesum decennia later herontdekt.

Inmiddels zijn ook organisaties, zoals de Leo Smit Stichting, opgericht die aandacht schenken aan de indringende verhalen en prachtige muziek van vervolgde componisten. Zo wordt vergeten muziek weer gespeeld en het hedendaagse muziekleven verrijkt.